De projectgebonden flexibele instrumenten van het Kyotoprotocol

Naast het systeem om onderling uitstootrechten te verhandelen (internationale emissiehandel) werden er 2 projectgebonden flexibele instrumenten in het leven geroepen. Deze laten landen toe om projecten in het buitenland te realiseren en (een deel van) de emissiekredieten van de daaruit voortvloeiende reductie van broeikasgasemissies te verwerven.

Mechanisme voor Schone Ontwikkeling (Clean Development Mechanism – CDM)

Bij het uitvoeren van een CDM-project investeert een land met een reductiedoelstelling onder het Kyotoprotocol in een project dat de broeikasgasuitstoot vermindert in een land zonder specifieke emissiereductiedoelstelling onder het protocol. Dergelijke projecten moeten leiden tot reële en meetbare emissiereducties in het gastland en moeten bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van het land. Dit gebeurt onder meer door de overdracht van milieuvriendelijke technologieën. Deze projecten kunnen uitstootrechten opleveren (zogenaamde ‘Certified Emission Reductions’ of CERs in het geval van een CDM-project) als ze voldoen aan een aantal strikte randvoorwaarden. De CERs kunnen gebruikt worden door het investerende land om haar broeikasgasuitstoot af te dekken. CERs kunnen eveneens verhandeld worden op de internationale koolstofmarkt.

CDM-projecten moeten verlopen volgens een vastgelegde projectcyclus en moeten worden goedgekeurd door de betrokken landen. De CDM Executive Board ziet toe op de uitvoering van het mechanisme en werkt regels uit voor omtrent de concrete werking.

Gezamenlijke Uitvoering (Joint Implementation – JI)

Wanneer een land met een reductiedoelstelling onder het Kyotoprotocol investeert in een project dat de broeikasgasuitstoot vermindert in een ander land met zo'n doelstelling, dan telt deze reductie mee bij de uitstootvermindering van het donorland. Dit is nuttig voor een partij wanneer het goedkoper is om in een gastland reducties te realiseren dan in het eigen land. Het gastland haalt dan weer voordeel uit de buitenlandse investeringen en overdracht van technologie.

Deze projecten kunnen uitstootrechten opleveren (zogenaamde ‘Emission Reduction Units’ of ERUs in het geval van een JI-project) als  ze voldoen aan een aantal strikte randvoorwaarden. De ERUs kunnen gebruikt worden door het investerende land om haar broeikasgasuitstoot af te dekken. ERUs kunnen eveneens verhandeld worden op de internationale koolstofmarkt.

JI-projecten moeten worden goedgekeurd door de betrokken landen. De JI Supervisory Committee ziet toe op de uitvoering van het mechanisme en werkt regels uit voor omtrent de concrete werking.

Meer informatie over CDM-projectactiviteiten
Meer informatie over JI-projectactiviteiten
Contacteer ons
Dienst Klimaat