Opsporing en winning van koolwaterstoffen

De krachtlijnen van het beleid

  •  de koolwaterstoffen die van nature in de diepe ondergrond aanwezig zijn (vanaf een diepte van vijfhonderd meter onder het TAW-referentiepunt), zijn eigendom van het Vlaamse Gewest. De eigendom van koolwaterstoffen die via een winningsvergunning, of als het louter monsters of formatiebeproevingen betreft via een opsporingsvergunning, aan de ondergrond worden onttrokken, gaat over op de vergunninghouder. De houder van een winningsvergunning moet hiervoor wel een vergoeding betalen aan het Vlaamse Gewest.
  • bovengrondse eigenaars, vruchtgebruikers, huurders, pachters, … dulden dat een vergunninghouder koolwaterstoffen opspoort of wint in de ondergrond, voor zover deze activiteiten plaatsvinden op een diepte van ten minste vijfhonderd meter onder het TAW-referentiepunt. Deze beperking voor de bovengrondeigenaars doet echter geen enkele afbreuk aan hun recht op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade.
  • vergunninghouders kunnen onder welbepaalde voorwaarden tijdelijk gronden van de bovengrondeigenaars bezetten om gebouwen en bovengrondse installaties op te richten die noodzakelijk zijn voor het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen. Dit doet evenmin afbreuk aan het recht op vergoeding van het genotsverlies dat geleden wordt ingevolge de bezetting van de gronden.
  • de vergunningsprocedure is sterk bepaald door de voorschriften van de  richtlijn 94/22/EG. Zo worden via een bekendmaking van aanvragen voor een vergunning inzake koolwaterstoffen in het Publicatieblad van de Europese Unie, ook andere belangstellenden uitgenodigd om een aanvraag voor een soortgelijke vergunning voor hetzelfde gebied in te dienen, en op die manier mee te dingen naar een vergunning.

Vergunning om koolwaterstoffen op te sporen of te winnen.

De  Vlaamse Regering verleent vergunningen om koolwaterstoffen op te sporen of te winnen.  De criteria op basis waarvan de Vlaamse Regering de vergunningsaanvragen moet beoordelen, zijn in de regelgeving vastgelegd. Het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen is bovendien onderworpen aan de MER-regelgeving, en de winning van koolwaterstoffen is omgevingsvergunningsplichtig.

Een vergunninghouder heeft diverse verplichtingen om eventuele nadelige gevolgen van de vergunde activiteiten tot een minimum te beperken. Via een uitgebreid winningsplan dat de goedkeuring van de Vlaamse Regering behoeft, en via een jaarlijks rapport waarbij de vergunninghouder verslag moet uitbrengen over de verrichte en geplande activiteiten, kan de Vlaamse Regering ook na het afleveren van een vergunning controle blijven uitoefenen op de vergunde activiteiten. Daarnaast worden de houders van een winningsvergunning eveneens verplicht om gedurende een aanzienlijke tijd metingen te verrichten om de kans op bodembeweging als gevolg van het winnen van koolwaterstoffen te kunnen inschatten. Vanzelfsprekend is de vergunninghouder van rechtswege verplicht om elke schade te vergoeden. Los van die algemene schadevergoedingsplicht kan de Vlaamse Regering de houder van een winningsvergunning steeds verplichten om een financiële zekerheid te stellen om de aansprakelijkheid te dekken die kan ontstaan door bodembeweging als gevolg van het winnen van koolwaterstoffen.

Het Vlaamse Gewest kan participeren in het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen via een door de Vlaamse Regering aangewezen investeringsmaatschappij.

En de steenkoolconcessies?

De eeuwigdurende steenkoolconcessies die in het kader van de oude Napoleontische Mijnwetten werden verleend, bleken niet meer verenigbaar met de bepalingen van de Europese richtlijn 94/22/EG. Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond voorziet dan ook in het verval van rechtswege van alle oude steenkoolconcessies die destijds in het kader van de oude Mijnwetten verleend zijn. Wel werd een overgangsregime voorzien, zodat de voormalige houders van deze concessies gedurende een periode van twee jaar als enigen de kans kregen om een vergunningsaanvraag in het kader van het Decreet Diepe Ondergrond in te dienen voor de gebieden waarop hun oude concessie sloeg.

Moratorium op grootvolumehydrofracturering (bv. voor schaliegas)

Vlaanderen heeft in respons op de Europese Aanbeveling 2014/70/EU een tijdelijk moratorium op de opsporing en productie van koolwaterstoffen (zoals schaliegas) met gebruikmaking van grootvolumehydrofracturering uitgevaardigd in afwachting van een adequate regelgeving voor deze specifieke toepassing en de uitbouw van voldoende bestuurlijke capaciteit. Vlaanderen is geen olie- en gasregio zoals bijvoorbeeld Nederland. In de huidige stand van de technologische ontwikkeling vereisen de opsporing en productie van niet-conventionele koolwaterstoffen, zoals schaliegas, het gecombineerde gebruik van grootvolumehydrofracturering en gericht (vooral horizontaal) boren op een schaal en met een intensiteit waarmee in de Europese Unie slechts beperkte ervaring is opgedaan. De definitie van grootvolumehydrofracturering is overgenomen uit de Aanbeveling 2014/70/EU en slaat specifiek op onconventionele voorkomens van gas waarbij grote volumes water geïnjecteerd worden per put, met name: “de injectie in een boorput van 1.000 m3 of meer water per fractureringsfase of van 10.000 m3 of meer water tijdens het hele fractureringsproces”.
Het tijdelijk moratorium sluit het proefboren naar koolwaterstoffen met het oog op de verkenning van de ondergrond (vb. inschatten van gasreserves), voor wetenschappelijk onderzoek en zonder gebruikmaking van grootvolumehydrofracturering, echter niet uit.