Internationaal en Europees beleid luchtverontreiniging

De effecten van de uitstoot van stoffen naar de lucht beperken zich niet tot de landsgrenzen: emissies in België dragen bij tot de problemen in de ons omringende landen, net zoals de emissies uit die landen een nadelige invloed hebben op de milieukwaliteit in België. Een efficiënte aanpak van deze grensoverschrijdende luchtverontreiniging en de effecten die dit met zich meebrengt kan dus enkel op internationaal niveau plaatsvinden. De afstand waarover stoffen getransporteerd worden, hangt af van de aard van deze stoffen, de hoogte waarop ze worden uitgestoten en de klimatologische omstandigheden. Sommige stoffen worden slechts over kleine afstanden getransporteerd, wat betekent dat een internationale aanpak moet worden aangevuld met lokale maatregelen.
Voor de internationale aanpak van luchtverontreiniging zijn twee fora van groot belang: het beleid van de Europese Unie en het LRTAP-verdrag van de Verenigde Naties.

 

Europese Unie (EU)

De EU is het belangrijkste forum voor wat betreft beleid rond luchtverontreiniging in Vlaanderen. Veel maatregelen die worden ingevoerd of plannen die worden uitgewerkt kaderen in verplichtingen die door de EU worden opgelegd. Het beleid van de Europese Unie komt tot stand onder de vorm van Europese richtlijnen en geïntegreerde strategieën. De strategieën zijn inhoudelijke programma’s op basis van dewelke concrete richtlijnen tot stand komen en worden ontwikkeld door de Europese Commissie. De Europese richtlijnen worden, op basis van een voorstel door de Europese Commissie, vastgesteld door de raad van Leefmilieuministers en door het Europese parlement en vormen wetgeving die door de Europese lidstaten moet worden omgezet.
Uitgebreide informatie hierover en alle officiële documenten kunnen worden gevonden op de website van de Europese Commissie zelf: http://ec.europa.eu/environment/air/index_en.htm .

Binnen het EU-beleid kunnen we drie sporen onderscheiden, met elk een verschillende aanpak, maar die wel nauw verbonden zijn:

  • Luchtkwaliteitsrichtlijnen: hierin worden voor een hele reeks polluenten maximale concentraties opgelegd van die polluenten die in de lucht aanwezig mogen zijn, met het oog op bescherming van de gezondheid en van het leefmilieu.  Polluenten waarvoor luchtkwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld zijn: ozon (O3), fijn stof (PM10 en PM2,5), stikstofdioxide (NO2) en zwaveldioxide (SO2), koolstofmonoxide (CO), lood (Pb), benzeen, arseen (As), cadmium (Cd), nikkel (Ni) en benzo(a)pyreen (BaP). De  precieze doelstellingen en bijhorende meetverplichtingen zijn vastgesteld in richtlijnen 2008/50 en 2004/107.
  • Richtlijnen met emissiereductiedoelstellingen: terwijl voor sommige stoffen de luchtkwaliteit vooral bepaald wordt door lokale bronnen (bv. voor zware metalen), speelt voor andere stoffen het grensoverschrijdende transport een belangrijke rol. Dat leidt ertoe dat sommige luchtkwaliteitsdoelstellingen pas haalbaar zijn wanneer niet alleen het betreffende land de nodige inspanningen doet, maar ook alle omringende landen. Om het grensoverschrijdende transport van luchtverontreiniging te beperken, werd in 2001 de richtlijn Nationale Emissieplafonds (NEC, 2001/81) gepubliceerd, met hierin emissieplafonds per lidstaat voor zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS) en ammoniak (NH3). De plafonds zijn van kracht vanaf 2010. Deze richtlijn wordt momenteel herzien, waarbij ook doelstellingen rond fijn stof (PM2,5) worden opgenomen.
  • Brongerichte richtlijnen: om aan de emissieplafonds te voldoen, moeten lidstaten uitstootbeperkingen opleggen aan de verschillende bronnen van luchtverontreiniging. Om concurrentieverstoring tussen sectoren en tussen lidstaten zoveel mogelijk te beperken, legt de EU voor een hele reeks bronnen grenswaarden op die voor de ganse EU gelden. Het gaat zowel om industriële bronnen (Richtlijn Industriële Emissies 2010/75, richtlijn middelgrote stookinstallaties 2015/2193), bronnen in gebouwen en huishoudens (richtlijn ecodesign 2009/125) als mobiele bronnen (richtlijn 2005/55 voor personen- en vrachtverkeer, richtlijn 2012/46 voor niet voor de weg bestemde transportmiddelen, zoals tractors). De vermelde richtlijnen zijn slechts een illustratie, de lijst hiervoor is allerminst volledig.

Dat de drie sporen nauw verbonden zijn is duidelijk: voor het bereiken van de luchtkwaliteitsdoelstellingen, moet het grensoverschrijdende transport van verontreiniging beperkt worden middels voldoende strenge emissieplafonds. Deze plafonds zijn op hun beurt enkel haalbaar als er op EU-niveau voor de voornaamste emissiebronnen een voldoende streng brongericht beleid wordt uitgewerkt.

Op regelmatige basis publiceert de Europese Commissie een thematische strategie rond luchtverontreiniging. Hierin geeft zij aan waar zij de komende jaren naartoe wil met haar beleid rond luchtverontreiniging en welke instrumenten zij hiervoor wil inzetten. De meest recente strategie dateert van eind 2013 en was onderdeel van het Clean Air Policy Package.

Daarnaast heeft ook beleid in andere domeinen een impact op luchtverontreiniging. Hierbij denken we in de eerste plaats aan klimaat- en energiebeleid (minder energieverbruik leidt tot minder emissies), maar ook het beleid rond bv. landbouw en verkeer is hier relevant.

 

Verdrag Long-Range Transboundary Air Pollution (LRTAP)

In 1979 werd binnen de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE)  het Verdrag Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging Over Lange Afstand (LRTAP: Long-Range Transboundary Air Pollution) ondertekend. Dit verdrag biedt een kader om internationaal samen te werken om zo de grensoverscrijdende atmosferische vervuiling te bestrijden. Door middel van protocollen die de emissiereductie van bepaalde polluenten beogen, worden onder andere verzuring, vermesting, troposferische ozon en fijn stof geviseerd. Inmiddels zijn er acht protocollen.

  • Protocol van Genève van 1984 betreffende de lange-termijn financiering van het gezamenlijke programma voor de continue bewaking en evaluatie van het lange-afstand transport van luchtverontreinigende stoffen in Europa;
  • Protocol van Helsinki van 1985 inzake de reductie van zwavelemissies of hun grensoverschrijdende stromen met tenminste 30 %; 
  • Protocol van Sofia van 1988 betreffende de beheersing van stikstofoxides of hun grensoverschrijdende stromen; 
  • Protocol van Genève van 1991 betreffende de beheersing van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) of hun grensoverschrijdende stromen; 
  • Protocol van Oslo van 1994 inzake de verdere reductie van zwavelemissies (vervolg op protocol van Helsinki); 
  • Protocol van Aarhus van 1998 inzake persistente organische stoffen (POPs); 
  • Protocol van Aarhus van 1998 inzake zware metalen; 
  • Protocol van Göteborg van 1999 ter bestrijding van verzuring, eutrofiëring en ozon in de omgevingslucht.

Deze 8 protocollen zijn in werking getreden en geratificeerd door België.

De 3 recentste protocollen werden tussen 2009 en 2012 herzien. De herziene protocollen zijn nog niet in werking getreden, de ratificatieprocedure door België is lopende.

De volledige tekst van het verdrag en de protocollen en de ratificatiestatus ervan, is te vinden op de website van LRTAP.