|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Historiek
—
gearchiveerd onder:
vlarem
Het reglementeren van de inrichtingen die potentieel hinderlijk of risicovol worden geacht voor de mens en het leefmilieu is geen recent gegeven. Hierna kan u een beknopt historisch overzicht vinden. De eerste wetgeving die gericht was op de bescherming van de omgeving tegen de nadelige gevolgen van hinderlijke bedrijven - onze oudste "milieuwetgeving" - kwam tot stand bij Keizerlijk Decreet van 15 oktober 1810 (betreffende de inrichtingen die een ongezonde of hinderlijke geur verspreiden). De wet van 5 mei 1888 (later gewijzigd) betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de stoomtuigen en stoomketels, gaf een nieuwe wettelijke basis. Bij koninklijk besluit van 10 augustus 1933 betreffende de politie op de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen werd voorzien in een indelingslijst van dergelijke inrichtingen. De tekst gaf ook steeds een motivering voor de opname van de activiteit op de lijst. Elke persoon die dergelijke activiteiten wil ontwikkelen moet sindsdien een toelatingsprocedure volgen vooraleer te kunnen starten. Er werd ook voorzien in een toezicht tijdens de activiteit. De lijst met gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen werd regelmatig aangepast en aangevuld. Bij besluit van de Regent van 11 februari 1946 werden de titels I en II van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) vastgesteld (later gewijzigd). Het ARAB bundelde verschillende wetten en koninklijke besluiten in verband met arbeidsveiligheid, arbeidshygiëne en omgevingsbescherming in één code. Titel I voorzag in een indeling en vergunningsplicht van de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen met uitsluiting van de mijnen, ondergrondse graverijen en groeven, alsmede van de fabrieken en opslagplaatsen voor springstoffen. Voor deze uitgesloten inrichtingen bestonden specifieke regelingen. Met de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen werd het beheer van het leefmilieu in België een taak voor de gewesten (het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest). De gewesten werden bijgevolg bevoegd om een eigen beleid inzake hinderlijke inrichtingen te voeren. Het bestaande Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming werd in de jaren '80 grotendeels behouden in het Vlaamse Gewest (zie titel I van het ARAB zoals geldig tot 1 september 1991: hoofdstuk I en hoofdstuk II). Een nieuw beleid inzake hinderlijke inrichtingen kondigde zich evenwel aan met het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, waarbij ook de wet van 5 mei 1888 werd opgeheven. Dit milieuvergunningsdecreet trad in werking op 1 september 1991 met het eerste uitvoeringsbesluit: het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (titel I van het VLAREM). Dit besluit regelt o.a. de verschillende procedures en de bevoegdheidsverdeling daarin. Bijlage I van dit besluit bevat de lijst met inrichtingen en activiteiten die als hinderlijk zijn ingedeeld. Een volgend uitvoeringsbesluit, het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (titel II van het VLAREM) bundelde o.a. de milieuvoorwaarden onder dewelke een inrichting mag worden geëxploiteerd. De VLAREM milieuvergunning integreert meerdere vroegere vergunningsstelsels waaronder de ARAB-vergunning (exploitatievergunning), de lozingsvergunning (geregeld in de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging) en de afvalvergunning. In 1999 werd ook de vroegere grondwatervergunning opgenomen in de milieuvergunning. De stedenbouwkundige vergunning werd niet geïntegreerd in de milieuvergunning maar werd er wel aan gekoppeld. |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||