|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
TWOL - Ontplofbare stoffen
MotivatieDe Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (de Seveso II-richtlijn) en haar 1ste amendement gepubliceerd in het Europees publicatieblad op 31/12/2003 (Richtlijn 2003/105/EG), richten zich op de preventie van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan voor mens en leefmilieu met als bedoeling het verzekeren van een hoog beschermingsniveau doorheen de Europese Unie op een consistente en effectieve manier. De Europese richtlijn 2003/105/EG werd in België omgezet via het Samenwerkingsakkoord, op regionaal (Vlaams) niveau in het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid . Het amendement van de Seveso II-richtlijn, dat in principe via een aanpassing van het Samenwerkingsakkoord reeds diende omgezet te worden in Belgisch recht (tegen 1 juli 2005) heeft een aantal belangrijke gevolgen ondermeer voor de categorie van de ontplofbare stoffen. Het ongeval met de vuurwerkfabriek in Enschede (Nederland) in 2000 heeft er mede voor gezorgd dat in het amendement van de Seveso II-richtlijn van 16 December 2003 een vereenvoudiging van de definities van explosieve stoffen werd opgenomen. Het ongeval in Enschede, waarbij meer dan 20 mensen omkwamen en de materiële schade aanzienlijk was, toonde immers aan dat er grote risico’s verbonden zijn aan de opslag en vervaardiging van pyrotechnische en explosieve stoffen, voornamelijk wanneer dit in nabijheid van gebieden met een woonfunctie plaatsvindt. In het amendement van de Seveso II-richtlijn werden de categorieën ‘Ontplofbaar’ (Bijlage I, Deel 2 van de Seveso-regelgeving) anders ingedeeld. De indeling dient nu te gebeuren volgens de UN/ADR-indeling waarbij een stof die valt onder klasse 1.4 (UN/ADR) ingedeeld wordt bij Categorie 4 en stoffen die vallen onder klasse 1.1, 1.2, 1.3, 1.5 en 1.6 of R-zinnen R2, R3 hebben, ingedeeld worden bij Categorie 5. Dit heeft een aanzienlijke verstrenging van de wetgeving betreffende explosieve stoffen tot gevolg gezien een groot deel van deze stoffen nu bij Categorie 5 (met lagere drempelwaarden) worden gerekend. De wijzigende wetgeving heeft aldus mogelijk tot gevolg dat meer bedrijven die explosieven opslaan of verwerken aan de Seveso-regelgeving onderworpen worden en bijgevolg ook aan de verplichtingen moeten voldoen. In concreto betekent dit dat de veiligheidsrapportplichtige bedrijven – enerzijds – in het kader van een milieuvergunningsaanvraag een omgevingsveiligheidsrapport2 dienen op te (laten) maken dat ze, na goedkeuring door de Dienst Veiligheidsrapportering (Dienst VR), moeten toevoegen aan de milieuvergunningsaanvraag en – anderzijds – dat veiligheidsrapportplichtige bedrijven in het kader van hun exploitatie een samenwerkingsakkoordveiligheidsrapport1 moeten indienen. Daarnaast dienen de Europese lidstaten er zorg voor te dragen dat ‘de ten doel gestelde preventie van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan voor mens en milieu’ mee wordt genomen in hun beleid ruimtelijke ordening. Het Vlaams Gewest heeft geopteerd voor de invoering van het ruimtelijk veiligheidsrapport om aan deze eis te voldoen. Veiligheidsrapporten bevatten, ondermeer, een identificatie en analyse van zware ongevallen met een kwantitatieve en kwalitatieve beschrijving van de risico’s. Dit dient te gebeuren zoals aangegeven in het VR-richtlijnenboek, dat in 2005 werd gepubliceerd. Rekening houdend met zware ongevallen met vaste ontplofbare stoffen in de recente voorbije jaren (Enschede,2000 en Toulouse,2001) is het noodzakelijk dat ook in Vlaanderen de risico’s zo goed mogelijk kunnen geëvalueerd worden. Het onderzoek dient te resulteren in het aangeven van methodiek(en) bij risicoberekeningen in veiligheidsrapportages, waardoor deze kunnen opgenomen worden in het bestaande “Richtlijnenboek voor Veiligheidsrapportages” om alzo in Vlaanderen een uniforme aanpak in veiligheidsrapporten te realiseren. Door enerzijds de verstrenging van de ontplofbare stoffen in de amendering van de Seveso II-richtlijn en anderzijds, tengevolge van het ontbreken van duidelijke richtlijnen in de huidig opgestelde veiligheidsrapporten (omgevingsveiligheidsrapporten, de samenwerkingsakkoord-veiligheidsrapporten én ruimtelijke veiligheidsrapporten) voor het bepalen van de risico’s van ontplofbare stoffen, wenst de Dienst VR over dit onderwerp nader onderzoek te (laten) verrichten. DoelstellingHet onderzoek dient te resulteren in het aangeven van methodieken bij risicoberekeningen van vaste ontplofbare stoffen in veiligheidsrapportages, waardoor deze kunnen opgenomen worden in het bestaande “Richtlijnenboek voor Veiligheidsrapportage” om alzo in Vlaanderen een accurate en uniforme aanpak in veiligheidsrapporten te realiseren. |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||