Sla navigatie over
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information
  Richtlijnenboek voor Veiligheidsrapportages  
     
  Wetgeving  
     
  Seveso-inrichtingen  
     
  Gevaarlijke stoffen  
     
  Veiligheidsrapportages  
     
  Onderzoek en Communicatie  
     
  Varia  
     
U bent hier: www.lne.be Thema's Veiligheidsrapportage Seveso-inrichtingen Bepalen van de Seveso-status Drempelwaarden categorieën

Tabel I.2: Drempelwaarden voor categorieën van gevaarlijke stoffen

Onderstaande tabel geeft de lage drempelwaarden en de hoge drempelwaarden van een aantal categorieën van gevaarlijke stoffen die niet uitdrukkelijk in deel 1 worden genoemd (bijlage I, deel 2 van de Seveso II-richtlijn/het Samenwerkingsakkoord).

Kolom 1
 
Kolom 2
(lage drempel)
Kolom 3
(hoge drempel)
Categorieën van stoffen ingedeeld als:
R-zin
Drempelwaarde (in ton)
1. ZEER GIFTIG R26; R27; R28;
combinaties met R26, R27, R28
5
20
2. GIFTIG R23; R24; R25;
combinaties met R23, R24, R25
50
200
3. OXIDEREND R7 (enkel organische peroxiden);
R8; R9
50
200
4. ONTPLOFBAAR (zie voetnoot 2) wanneer de stof, het preparaat of het voorwerp onder VN/ADR-subklasse 1.4 valt  
50
200
5. ONTPLOFBAAR (zie voetnoot 2) wanneer de stof, het preparaat of het voorwerp onder één of meer van de VN/ADR-subklassen 1.1, 1.2, 1.3, 1.5 en 1.6, dan wel onder waarschuwingszin R2 of R3 valt R2; R3
10
50
6. ONTVLAMBARE vloeistof (als de stof of het preparaat voldoet aan de in voetnoot 3 a vermelde definitie) R10
5 000
50 000
7a. LICHT ONTVLAMBAAR vloeistof (als de stof of het preparaat voldoet aan de in voetnoot 3 b, 1 vermelde definitie) vloeistoffen met R17
50
200
7b. LICHT ONTVLAMBARE VLOEISTOFFEN (als de stof of het preparaat voldoet aan de in voetnoot 3 b, 2 vermelde definitie) vloeistoffen met R11
5 000
50 000
8. ZEER LICHT ONTVLAMBAAR (als de stof of het preparaat voldoet aan de in voetnoot 3 c vermelde definitie) gassen en vloeistoffen met R12;
vloeistoffen met R10 of R11 die zich boven het kookpunt bevinden
10
50
9i. GEVAARLIJK VOOR HET MILIEU, waarschuwingszinnen R50: "Zeer giftig voor in het water levende organismen" (inclusief R50/53) R50;
combinaties met R50
100
200
9ii. GEVAARLIJK VOOR HET MILIEU, waarschuwingszinnen R51/53: "Giftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken" R51/53
200
500
10i. IEDERE INDELING die niet valt onder de bovenstaande in combinatie met waarschuwingszin R14: "Reageert heftig in contact met water" (inclusief R14/15) R14; R14/15;
combinaties met R14
100
500
10ii. IEDERE INDELING die niet valt onder de bovenstaande in combinatie met waarschuwingszin R29: "Vormt giftig gas in contact met water" R29;
combinaties met R29
50
200

 

Voetnoten bij de tabel:

  • 1. Stoffen en preparaten worden ingedeeld volgens de besluiten ter omzetting van de volgende richtlijnen en de meest recente aanpassing daarvan aan de technische vooruitgang:
    • Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen;
    • Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31/05/1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten.
    Voor stoffen en preparaten die niet volgens één van de bovenstaande richtlijnen als gevaarlijk zijn ingedeeld, bijvoorbeeld afvalstoffen, maar in een inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn en onder de in de inrichting heersende omstandigheden gelijkwaardige eigenschappen hebben of kunnen hebben wat de mogelijkheden van een zwaar ongeval betreft, worden de procedures voor de voorlopige indeling overeenkomstig het desbetreffende artikel van de ter zake geldende richtlijn gevolgd.

    Voor stoffen en preparaten die zodanige eigenschappen hebben dat ze op verscheidene wijzen kunnen worden ingedeeld, is de laagste drempelwaarde van toepassing. Wat evenwel de toepassing van de sommatieregel betreft, wordt altijd de drempelwaarde gebruikt welke met de indeling in kwestie overeenkomt.
  • 2. Onder ONTPLOFBARE stof wordt verstaan:
    • a) een stof of preparaat die (dat) ontploffingsgevaar oplevert door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken (waarschuwingszin R2);
    • b) een stof of preparaat die (dat) ernstig ontploffingsgevaar oplevert door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken (waarschuwingszin R3);
    • c) een stof, preparaat of voorwerp van klasse 1 van de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (VN/ADR), gesloten op 30 september 1957, zoals gewijzigd, als omgezet bij Richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg.
    Deze definitie strekt zich uit tot pyrotechnische stoffen, die omschreven worden als stoffen (of mengsels van stoffen) die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties. Wanneer een stof of preparaat zowel onder de VN/ADR-indeling als onder waarschuwingszin R2 of R3 valt, prevaleert de VN/ADR-indeling boven die van de waarschuwingszinnen.

    Stoffen en voorwerpen van klasse 1 worden volgens het VN/ADR-indelingsschema ingedeeld in de subklassen 1.1 tot en met 1.6. De subklassen zijn:
    • subklasse 1.1: "Stoffen en voorwerpen met gevaar voor massa-explosie (een massa-explosie is een explosie die praktisch op hetzelfde ogenblik plaatsvindt in nagenoeg de gehele lading)";
    • subklasse 1.2: "Stoffen en voorwerpen met gevaar voor scherfwerking, zonder gevaar voor massa-explosie";
    • subklasse 1.3: "Stoffen en voorwerpen met gevaar voor brand en met een gering gevaar voor luchtdruk- of scherfwerking of met gevaar voor beide, maar niet met gevaar voor massa-explosie:
      • i) waarvan de verbranding aanleiding geeft tot een aanzienlijke warmtestraling, of
      • ii) die één voor één uitbranden, waarbij een geringe luchtdruk- of scherfwerking, of beide optreden".
    • subklasse 1.4: "Stoffen en voorwerpen die slechts gering gevaar opleveren indien zij tijdens het vervoer tot ontsteking of inleiding komen. De gevolgen blijven in hoofdzaak beperkt tot het collo en leiden niet tot scherfwerking van enige omvang of reikwijdte. Een van buitenaf inwerkende brand mag niet leiden tot een explosie op praktisch hetzelfde ogenblik van nagenoeg de gehele inhoud van het collo";
    • subklasse 1.5: "Zeer weinig gevoelige stoffen met gevaar voor massa-explosie, die zo weinig gevoelig zijn dat er onder normale vervoersomstandigheden een zeer geringe kans bestaat op inleiding of op de overgang van verbranding naar detonatie. Als minimumvoorwaarde geldt dat ze niet mogen exploderen bij de uitwendige brandproef";
    • subklasse 1.6: "Extreem weinig gevoelige voorwerpen, zonder gevaar voor massa-explosie. Deze voorwerpen bevatten alleen extreem weinig gevoelige springstoffen en vertonen een verwaarloosbare kans op een onbedoelde inleiding of voortplanting. Het gevaar is beperkt tot de explosie van één enkel voorwerp".
    Deze definitie behelst ook in voorwerpen aanwezige ontplofbare of pyrotechnische stoffen of preparaten. In het geval van voorwerpen met ontplofbare of pyrotechnische stoffen of preparaten is de hoeveelheid van de stof of het preparaat, indien bekend, bepalend. Indien de hoeveelheid niet bekend is, wordt het gehele voorwerp als ontplofbaar aangemerkt.
  • 3. Onder ONTVLAMBAAR, LICHT ONTVLAMBAAR en ZEER LICHT ONTVLAMBAAR (categorieën 6, 7 en 8) wordt verstaan:
    • a. ONTVLAMBARE vloeistoffen:
      1. stoffen en preparaten met een vlampunt van minimaal 21°C en maximaal 55°C (waarschuwingszin R10), die blijven branden;
    • b. LICHT ONTVLAMBARE vloeistoffen:
      1. - stoffen en preparaten die warm kunnen worden en tenslotte in contact met de lucht bij de omgevingstemperatuur zonder toevoer van energie vlam kunnen vatten (waarschuwingszin R17);
        - stoffen en preparaten die een vlampunt hebben dat lager is dan 55°C en die onder druk vloeibaar blijven, wanneer onder bepaalde procescondities, zoals hoge druk en hoge temperatuur, gevaar voor een zwaar ongeval kan ontstaan;
      2. stoffen en preparaten met een vlampunt dat lager ligt dan 21°C en die niet zeer licht ontvlambaar zijn (waarschuwingszin R11, tweede streepje);
    • c. ZEER LICHT ONTVLAMBARE gassen en vloeistoffen:
      1. vloeibare stoffen en preparaten die een vlampunt hebben dat lager ligt dan 0°C en een kookpunt (of in geval van een kooktraject een eerste kookpunt) dat bij normale druk maximaal 35°C is (waarschuwingszin R12, eerste streepje), en
      2. gassen die in contact met de lucht bij kamertemperatuur en normale druk ontvlambaar zijn (waarschuwingszin R12, tweede streepje), ongeacht of zij in gasvormige toestand dan wel in superkritische toestand verkeren,
      3. ontvlambare en licht ontvlambare vloeibare stoffen en preparaten die op een temperatuur worden gehouden die hoger ligt dan hun kookpunt.

Lijsten Seveso-inrichtingen

Lijst Seveso-inrichtingen  (.pdf)
(27/04/2012)

 

GIS-data

Seveso-inrichtingen (.shp)
(-)

 

Google Earth-data

Seveso-inrichtingen (.kml)
(-)