|
|
||||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||||
|
Opsporing en winning van koolwaterstoffen
Het eerste deel van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond beoogt een correcte omzetting van de Europese richtlijn 94/22/EG van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen. Een sleutelartikel van het decreet is de bepaling die stelt dat de koolwaterstoffen die van nature in de diepe ondergrond aanwezig zijn (dit is volgens het decreet vanaf een diepte van honderd meter onder het aardoppervlak), eigendom zijn van het Vlaamse Gewest. De eigendom van koolwaterstoffen die via een winningsvergunning, of als het louter monsters of formatiebeproevingen betreft via een opsporingsvergunning, aan de ondergrond worden onttrokken, gaat over op de vergunninghouder. De houder van een winningsvergunning moet hiervoor wel een vergoeding betalen aan het Vlaamse Gewest. Tegelijkertijd moeten de bovengrondse eigenaars, vruchtgebruikers, huurders, pachters, … dulden dat een vergunninghouder koolwaterstoffen opspoort of wint in de ondergrond, voor zover deze activiteiten plaatsvinden op een diepte van ten minste honderd meter onder het aardoppervlak. De minimumdiepte van honderd meter is een uiting van het zoeken naar een adequaat evenwicht tussen enerzijds het vermijden van overdreven hinder voor bovengrondeigenaars en het overdreven inperken van het eigendomsrecht, en anderzijds het vanuit geologisch standpunt vooropstellen van een realistische minimumdiepte waarop koolwaterstoffen opgespoord en gewonnen kunnen worden. Deze beperking voor de bovengrondeigenaars doet echter geen enkele afbreuk aan hun recht op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade. Bovendien kunnen de vergunninghouders onder welbepaalde voorwaarden tijdelijk gronden van de bovengrondeigenaars bezetten om gebouwen en bovengrondse installaties op te richten die noodzakelijk zijn voor het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen. Dit doet evenmin afbreuk aan het recht op vergoeding van het genotsverlies dat geleden wordt ingevolge de bezetting van de gronden. De modaliteiten van de vergunningsprocedure zijn sterk bepaald door de voorschriften van de richtlijn 94/22/EG. Zo worden via een bekendmaking van aanvragen voor een vergunning inzake koolwaterstoffen in het Publicatieblad van de Europese Unie, ook andere belangstellenden uitgenodigd om een aanvraag voor een soortgelijke vergunning voor hetzelfde gebied in te dienen, en op die manier mee te dingen naar een vergunning. Het is de Vlaamse Regering die de vergunningen voor het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen verleent. De criteria op basis waarvan de Vlaamse Regering de vergunningsaanvragen moet beoordelen, zijn in de regelgeving vastgelegd. Het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen is bovendien onderworpen aan de MER-regelgeving, en de winning van koolwaterstoffen is milieuvergunningsplichtig. Op een vergunninghouder rusten diverse verplichtingen om eventuele nadelige gevolgen van de vergunde activiteiten tot een minimum te beperken. Via een uitgebreid winningsplan dat de goedkeuring van de Vlaamse Regering behoeft, en via een jaarlijks rapport waarbij de vergunninghouder verslag moet uitbrengen over de verrichte en geplande activiteiten, kan de Vlaamse Regering ook na het afleveren van een vergunning controle blijven uitoefenen op de vergunde activiteiten. Daarnaast worden de houders van een winningsvergunning eveneens verplicht om gedurende een aanzienlijke tijd metingen te verrichten om de kans op bodembeweging als gevolg van het winnen van koolwaterstoffen te kunnen inschatten. Vanzelfsprekend is de vergunninghouder van rechtswege verplicht om elke schade te vergoeden. Los van die algemene schadevergoedingsplicht kan de Vlaamse Regering de houder van een winningsvergunning steeds verplichten om een financiĆ«le zekerheid te stellen om de aansprakelijkheid te dekken die kan ontstaan door bodembeweging als gevolg van het winnen van koolwaterstoffen. Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond geeft aan het Vlaamse Gewest de mogelijkheid om te participeren in het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen, via een door de Vlaamse Regering aangewezen investeringsmaatschappij in de zin van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid. De eeuwigdurende steenkoolconcessies die in het kader van de oude Napoleontische Mijnwetten werden verleend, bleken niet meer verenigbaar met de bepalingen van de Europese richtlijn 94/22/EG. Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond voorziet dan ook in het verval van rechtswege van alle oude steenkoolconcessies die destijds in het kader van de oude Mijnwetten verleend zijn. Wel wordt in een overgangsregime voorzien, zodat de voormalige houders van deze concessies gedurende een periode van twee jaar als enigen de kans krijgen om een vergunningsaanvraag in het kader van het Decreet Diepe Ondergrond in te dienen voor de gebieden waarop hun oude concessie sloeg.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||