- Info
Voor het planten
Tips vooraleer je begint te planten.
- Doe eerst de grote terreinwerken (grondverzet, afbraak, stapelmuurtjes bouwen…) alvorens je begint aan te planten
- Vraag aan iedereen die een spade meebrengt om ze vooraf te markeren door / zijn of haar naam er op te zetten.
- Plant in het juiste seizoen! Dit is van eind oktober tot begin april. Zorg dat je in een vorstvrije periode aanplant.
- Leg vooraf het terrein plantklaar door plantgaten te graven of te (laten) boren). Ontleen deze boren misschien bij de gemeentediensten, bij een regionaal landschap of bij de lokale natuurpunt afdeling. Lukt dit niet, dan zijn enkele gewone tuinspades ook voldoende om het werk uit te voeren. Heb je toch echt heel veel plantgaten te maken? Dan kan je in een doe-het-zelfzaak evt. een bodemboor huren.
- Bewaak de plantafstanden die de ontwerper op het plan zette. Respecteer die afstanden bij het graven van de plantgaten.
- Organiseer bijvoorbeeld een schattenjacht om de plantputten te laten maken. Op het terrein zet je overal een stokje waar een put naast moet komen. De onderkant van 20 stokjes kregen een nummertje opgekleefd. Hieraan zijn ‘schatten’ verbonden. Het stokje mag pas uit de grond worden getrokken als de leiding zegt dat de put diep en groot genoeg is. Welke groep verzamelt de grootste schat?
- Baken de zones waar je iets gaat aanplanten af met plastic signalisatielinten Heb je geen signalisatielint, dan is touw met een paar vlaggetjes eraan of een zandspoor op de grond een even goed alternatief om overzicht te krijgen over de indeling van het terrein.
- Zorg voor voldoende begeleiders. Eén begeleider per 10 deelnemers is geen luxe. De deelnemers werken dan in 5 duo’s (zie hiervoor ook naar 'tijdens het planten').
- Leg vooraf het plantgoed per soort en leg er overal de juiste naam bij. Geen soortenkennis? Zoek dan voordien assistentie hiervoor!
- Maak voor de plantdag een inschatting van hoeveel volk je nodig hebt. Stel een taakverdeling op per groepje en bespreek deze vooraf met de leiding van de groepjes. Per duo, kan je afhankelijk van de beschikbare tijd en de leeftijd 5 tot 20 boompjes of struiken planten.
- Vraag de deelnemers aan de plant- of werkdag om rubberlaarzen en indien mogelijk werkhandschoenen mee te brengen. Dit laatste is een goed idee als men ook plantgoed heeft waar doornen aan zitten, zoals meidoorn, sleedoorn, framboos...
- Tracht bij de aanplanting ook derden te betrekken: een natuurvereniging, de ouders, de oud-leiding, de buren... Met een goede briefing helpen zij graag mee. Zo vergroot je ook het draagvlak voor je vergroeningsproject.