|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Duurzame ontwikkeling, een nieuwe leidraad in onderwijs
EDO-Symposium (20/01/09) Openingswoord EDO-Symposium
Dames en heren, Op het Europese continent is het begrip ‘duurzaamheid’ niet zo recent als u misschien denkt. Het bestaat al driehonderd jaar. Ene Hans-Carl von Carlowitz, een Duitse mijnbouwkundige die zich ook bezighield met bosbouw, introduceerde het idee van ‘nachhaltiger Waldbau’ of ‘duurzame bosbouw’ al in 1713 in Duitsland, in zijn boek Sylvicultura Oeconomica (Economische Bosbouw). Er dreigde in die tijd een tekort aan hout in Duitsland en andere Europese landen door afnemende houtvoorraden en een toenemende bevolking. En zo kwamen de verwarming van huizen en de industriële processen in het gedrang. Von Carlowitz pleitte ervoor dat de economische vooruitgang de gemeenschap en het nageslacht ten goede zou komen. En dat men daartoe voorzichtig met de natuur zou omgaan. Vandaag is er onrust over de eindige olievoorraden. Over de gevaren van kernenergie. Over gaskranen die worden dichtgedraaid. En het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ is gemeengoed geworden. Maar dat begrip is pas ontstaan in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. En het werd maar echt bekend bij het ruime publiek in 1987, na publicatie van het ophefmakende rapport Our common future, rapport van de VN-Wereldcommissie voor Milieu en Ontwikkeling. Die commissie werd voorgezeten door de toenmalige Noorse premier Brundtland. Vandaar dat men meestal spreekt over het Brundtlandrapport. Ik wil hier niet te veel uitweiden over de definitie van ‘duurzame ontwikkeling’ die in dit rapport werd geformuleerd. En ook niet over de vele interpretaties en parafraseringen van de oorspronkelijke definitie. Liever verwijs ik naar een omschrijving van een leerling. Ze drukt heel kernachtig uit waarover het precies gaat: ‘duurzame ontwikkeling is een maatschappelijke ontwikkeling waarbij er voor iedereen genoeg is, hier en elders, vandaag en morgen.’ Het is dus veel meer dan alleen milieubescherming. Ook de Zuid-Afrikaanse vertaling, ‘volhoudbare ontwikkeling’, beschrijft treffend waarover het gaat: een maatschappelijke ontwikkeling die nog een hele tijd – generaties lang- vol te houden is. Het is duidelijk dat onze huidige samenleving volgens die definitie niet goed bezig is. Het Brundtlandrapport verwijst onder andere naar wereldwijde milieuproblemen als de zure regen, de opwarming van de aarde en de afvalproblematiek. De belangrijkste conclusie van het rapport was dit. De belangrijkste milieuproblemen in de wereld zijn het gevolg van de niet-duurzame consumptie en productie in het rijke Noorden, dat teert op de grondstoffen in het arme Zuiden. Maatschappelijke ontwikkeling is pas duurzaam als productie en consumptie de grondstoffen niet uitputten. Als ze de leefomgeving niet vervuilt. En als ze rekening houdt met sociale en economische aspecten. Vaak zitten economische, sociaalculturele en ecologische aspecten onderling sterk verweven. Het komt erop aan daar een evenwicht te vinden, vanuit een solidariteit tussen de mensen in het rijke Noorden en het arme Zuiden, een solidariteit ook tussen de generaties van vandaag en die van morgen. Waarom educatie voor duurzame ontwikkeling?Daarom is duurzame ontwikkeling niet met een vingerknip te realiseren. De verwevenheid van verschillende aspecten maakt dat duurzaamheidsvraagstukken meestal zeer complex zijn. Kijken we even naar het klassieke voorbeeld: de opwarming van de aarde. Er is de complexe wetenschappelijke verklaring van het fenomeen. En het feit dat het erg moeilijk is voorspellingen te maken over de impact op zeestromingen, woestijnvorming en de daaruit voortvloeiende problemen, zoals de migratie van grote bevolkingsgroepen. Duurzame ontwikkeling vraagt dan ook ondubbelzinnig andere visies. Brede denkwijzen. Nieuwe technologieën. Als wij de ambitie hebben om een antwoord te vinden op duurzaamheidsvraagstukken, dan zullen wij jonge mensen moeten uitrusten met de nodige kennis, vaardigheden en attitudes. We zullen meer nadruk moeten leggen op leren omgaan met complexiteit. Op alles in samenhang leren zien. Op creatief denken. Op leren omgaan met onzekerheden, het leren inschatten van risico’s ook. Ik neem aan dat deze problematiek vandaag uitvoerig aan de orde komt. Ik denk niet dat we hiermee een bijkomende last op de schouders van de leerkrachten of scholen leggen. Het gaat niet om een nieuw vak. Wel om anders aankijken tegen wat u vandaag al doet. Ik onderschrijf helemaal het gezamenlijke VLOR-MINA advies van 2007. Dat pleit ervoor ‘duurzame ontwikkeling’ te beschouwen als een soort van leidraad in de lessen, in de schoolcultuur en bij beslissingen in de school. Bij een project over water kan de school bijvoorbeeld de aspecten van milieu, gezondheid en armoede in de wereld bestuderen en kijken hoe ze zelf minder water kan verspillen. Bestaande educaties en projecten rond milieueducatie, vredeseducatie, ontwikkelingseducatie, gezondheidseducatie, burgerschapsvorming, mondiale vorming enz. moeten dus niet verdwijnen. Integendeel: zij kunnen een perfecte ingang vormen naar duurzaamheidvraagstukken. Een project over de armoedekloof tussen het Noorden en het Zuiden kan bijvoorbeeld aansluiten bij lessen over de opwarming van de aarde en woestijnvorming. VN-decennium van educatie voor duurzame ontwikkeling 2005-2014Allemaal thema’s die cruciaal zijn in de wereld van vandaag. Dat vond ook de UNECE - de Europese Economische Raad van de Verenigde Naties. De lidstaten hebben in 2005 de periode 2005-2014 uitgeroepen tot VN Decennium van Educatie voor Duurzame Ontwikkeling. En ze ondertekenden een strategie om dit waar te maken, de UNECE-strategie. De gemeenschappen van ons land hebben zich daarbij geëngageerd om EDO, educatie voor duurzame ontwikkeling, een prominente plaats te geven in het informele en het formele leren, gaande van het basisonderwijs tot het hoger onderwijs. In Vlaanderen heb ik me daartoe als minister van Onderwijs geëngageerd, samen met mijn collega van Milieu. Ik hoop dat we zeer binnenkort de Vlaamse Strategie voor Educatie voor Duurzame Ontwikkeling door de Vlaamse Regering kunnen laten goedkeuren. Dan kunnen we echt werk maken van de projecten die daarin zijn opgenomen. EDO in de eindtermenIn ons onderwijs wordt de aandacht voor EDO in de eerste plaats verzekerd via de eindtermen. En dat doen we al tien jaar. Het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ zit verankerd in de vakgebonden en vakoverschrijdende eindtermen. Maar omdat de maatschappelijke context voortdurend evolueert, worden de eindtermen regelmatig op hun relevantie getoetst en eventueel aangepast. Dit proces is zopas achter de rug voor onder andere de eindtermen natuur in het leergebied wereldoriëntatie van het lager onderwijs, de eindtermen natuurwetenschappen van de eerste graad van het secundair onderwijs en de volledige set vakoverschrijdende eindtermen van het secundair onderwijs. De entiteit Curriculum van het departement Onderwijs en Vorming heeft op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek hiervoor voorstellen geformuleerd. Die zijn principieel door de Vlaamse Regering goedgekeurd. Nu is het aan het Vlaams Parlement. Als alles volgens de planning verloopt, gaan ze vanaf het schooljaar 2010-2011 in voege. Vooral het concept van de vakoverschrijdende eindtermen wijzigt fundamenteel ten opzichte van vandaag. Ik geef kort de kern aan, straks hoort u er meer over. Eén van de 7 contextgebieden – zeg maar concrete toepassingsgebieden – wordt ‘de omgeving en duurzame ontwikkeling’, waarbinnen 6 eindtermen zijn geformuleerd. De eindtermen uit de gemeenschappelijke stam zijn gemeenschappelijk voor alle contexten. Bijvoorbeeld de vaardigheid ‘leerlingen zijn bekwaam om alternatieven af te wegen en een bewuste keuze te maken’: die vaardigheid kan onder meer in verband worden gebracht met de context van duurzame ontwikkeling. En de nieuwe eindtermen zijn niet meer geformuleerd per graad. Scholen kunnen dus voortaan makkelijker graadoverstijgende projecten opzetten. Doel van deze studiedagDames en heren, Ik vermoed dat sommige leerkrachten en directies hier in de zaal nu de wenkbrauwen fronsen en zich afvragen: hoe kunnen we hiermee aan de slag gaan? Maar geen nood. In mijn beleidsbrief van 2008-2009 heb ik aangekondigd dat wij initiatieven zullen ondersteunen om u in de scholen vertrouwd te maken met het begrip Educatie voor Duurzame Ontwikkeling. En om onder andere via studiedagen samen te zoeken naar mogelijkheden om dit begrip in het schoolcurriculum vorm te geven. Deze studiedag is een eerste stap. Een stap om meer inzicht te verwerven in het begrip ‘duurzame ontwikkeling’. Een stap om samen na te denken over hoe we dat begrip kunnen invullen in de verschillende onderwijsniveaus en onderwijsvormen. En scholen staan niet alleen voor deze opdracht: zij kunnen hiervoor een beroep doen op het ruime aanbod van ngo’ s en andere organisaties die rond duurzame ontwikkeling educatieve pakketten ontwerpen. Elke organisatie profileert zich rond een bepaald aspect. Want het is niet mogelijk om alle expertise over een bepaald vraagstuk in eigen huis te hebben. Ik zou dan ook een oproep willen doen tot de organisaties om onderling duidelijke afspraken te maken over de waaier aan thema’s, zodat scholen voor elk thema een expert kunnen vinden. Brochure met praktijkvoorbeeldenVandaag wordt u al één ‘product’ van interdisciplinaire samenwerking gepresenteerd. Een brochure gemaakt samen met Coprogram, de overkoepelende organisatie van ngo’s met een werking rond de derdewereld en de Noord-Zuidproblematiek. Ze bevat mooie praktijkvoorbeelden van projecten waarin aspecten van duurzaamheid aan bod komen en waar veel scholen al rond werken. De brochure is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, dat een 15-tal kwaliteitsindicatoren heeft geïdentificeerd voor kwaliteitsvolle EDO-scholen. U heeft ze vanmorgen bij de inschrijving ontvangen. Handboek EDO-competenties voor lerarenNatuurlijk is het ook nodig dat leraren de nodige competenties verwerven om rond EDO te werken. De lerarenopleiding van de Katholieke Hogeschool Leuven heeft daartoe een Comeniusproject ontwikkeld, waarin naast 13 andere partners uit 8 landen ook de entiteit Curriculum van het departement Onderwijs betrokken was. Zij formuleerden samen competenties voor ‘EDO-leerkrachten’. Competenties die de UNECE als vertrekbasis heeft aangenomen om op korte termijn een algemeen kader te formuleren voor EDO-competenties voor leraren. Straks hoort u er meer over. De resultaten van dit project zijn intussen overigens ook als handboek verschenen in het Nederlands. Andere maatregelen voor duurzame ontwikkeling in onderwijsHet departement Onderwijs en Vorming heeft deze regeerperiode ook andere inspanningen geleverd rond duurzame ontwikkeling. Zo is er het project Duurzaam naar school, dat zowel verplaatsingen per fiets en te voet als met het openbaar vervoer wil stimuleren. Er zijn de maatregelen rond rationeel energieverbruik in scholen. Die helpen niet alleen om het CO2-gehalte in de atmosfeer terug te dringen. Ze bieden ook kansen om educatieve schoolprojecten uit te werken rond het thema van de opwarming van het klimaat en de gevolgen voor de huidige en toekomstige generaties. En binnenkort starten we met de bouw van de eerste passiefscholen in Vlaanderen, een supermijlpaal in rationeel energieverbruik. Allemaal uitgelezen kansen om aan leerlingen te tonen dat men als individu of als groep wel degelijk een wezenlijke bijdrage kan leveren aan duurzame ontwikkeling. Soms zelfs met kleine inspanningen. Dames en heren, ik geef nu graag het woord aan Arjen Wals van de Wageningen universiteit. En ik hoop dat u hier vandaag heel veel kunt opsteken en met enthousiasme aan de slag gaat. Want duurzame ontwikkeling is een cruciaal thema voor ons onderwijs. Voor onze samenleving. En voor de hele wereld. Ik dank u . |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||