|
|
||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||
|
Opmaak en uitvoeren van een draaiboek voor het uitvoeren van een moedermelkcampagne voor de gevalstudie 'Gechloreerde verbindingen in landelijke gebieden' in het kader van het geïntegreerde faseplan
AchtergrondTijdens de eerste humane biomonitoringcampagne van het eerste generatie Steunpunt Milieu en Gezondheid(2002-2006) werden in navelstrengbloed van pasgeborenen, bloed van 14-15 jarigen en van 50-65 jarigen uit laagbevolkte landelijke gemeenten van Oost- en West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant verhoogde gehalten aan PCB’s, dioxineachtige stoffen en gechloreerde pesticiden (een afbraakproduct van DDT en hexachlorobenzeen) gemeten in vergelijking met andere Vlaamse regio’s. Gezien de gezondheidskundige ernst van de verhoogde gehaltes aan gechloreerde verbindingen, werd in het kader van het geïntegreerde faseplan een actieplan gechloreerde verbindingen opgesteld, dat door de minister aan pers en publiek werd voorgestel op 2 februari 2010. Huidige studie werd in dit actieplan opgenomen onder actie 2c. Omdat deze POP’s voornamelijk vetoplosbare polluenten zijn, werd gekozen om blootstelling aan deze polluenten te meten in moedermelk. Moedermelk bevat een hoger vetgehalte dan bloed en kan makkelijk door de moeders zelf worden afgenomen. Omdat in België de meerderheid van de moeders bevalt in de materniteit werden de moeders via deze weg gerekruteerd. Er werd vooropgesteld 100 deelnemers in te sluiten in de studie. Belangrijkste resultatenNa een rekruteringsperiode van 14 maanden werden 84 moeders in de studie opgenomen. Er werden zowel individuele metingen als metingen op een mengstaal van de 84 moeders uitgevoerd. De concentraties gemeten in het mengstaal werden vergeleken met de resultaten van het Belgische mengstaal in de WHO-moedermelkcampagne van 2006. Zonder rekening te houden met de variatie worden lagere waarden in de landelijke regio waargenomen voor som heptachloorcomponenten, som chlordaancomponenten, HCB, beta-HCH, alle merker-PCB’s, mono- en ortho PCB’s, dioxinen/furanen en alle polygebromeerde difenylethers. Voor andere stoffen worden hogere waarden waargenomen in vergelijking met 2006: dieldrin, transnonachlor, som van HBCD en som van DDT en DDT-metabolieten. De verhoging van som-DDT en DDT-metabolieten in vergelijking met de WHO-moedermelkcampagne van 2006 zou kunnen te wijten zijn aan het feit dat rekrutering enkel in het landelijk gebied gebeurde en niet op het ganse grondgebied van België. Het bevestigt echter wel de resultaten van de eerste humane biomonitoringcampagne, zodat blijvende aandacht voor deze problematiek noodzakelijk is. Uit de resultaten van de individuele stalen blijkt dat een aantal stoffen meetbaar waren in alle of in meer dan 50% van de stalen (vb: PFOS en PFOA, dioxineachtige PCB’s, dioxines en furanen). Uit deze resultaten konden enkele belangrijke relaties voor het milieubeleid worden teruggevonden. Deelnemers die elke dag melk of melkproducten consumeren hadden significant hogere gehalten aan DDT en oxychlordaan in de moedermelk. Deelnemers die geen eigen geteelde groenten aten, hadden significant lagere gehalten aan HCB. HCB is een pesticide dat vroeger gebruikt werd om planten, granen en hout te beschermen tegen schimmels. Indien HCB nog aanwezig is in de bodem, kan dit via het eten van zelf geteelde groenten worden opgenomen in het lichaam. Wat nu?Moedermelk vormt een belangrijke matrix om vervuiling door gechloreerde stoffen op te volgen. Door de strenge inclusiecriteria verliep de rekrutering zeer moeizaam, maar uiteindelijk werden 84 moeders bereid gevonden om een moedermelkstaal af te staan. In het geïntegreerde faseplan worden in een aantal acties de vastgestelde verhogingen reeds aangepakt:
Ook is blijvende aandacht nodig voor het beleid rond pesticiden. Het verderzetten van de campagne “Zonder is Gezonder” geeft hier een eerste invulling aan. Om de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen te optimaliseren wordt volgende studie gepland: “Optimalisatie van het surveillance humaan biomonitoringprogramma (HBMP) partim bestrijdingsmiddelen. Deze optimalisatie betreft de selectie van op te nemen bestrijdingsmiddelen in volgend Humaan Biomonitoringprogramma op basis van het gebruik door verschillende doelgroepen, de toxiciteitsprofielen en de beschikbaarheid biomerkers. In een tweede fase worden de in deel I voorgestelde biomerkers geoptimaliseerd. Eindrapport |
||||||||||||||||||||||||||||