Sla navigatie over
www.lne.be
home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information
  Thema's  
     
  Campagnes  
     
  Doelgroepen  
     
  Over onze organisatie  
     
U bent hier: www.lne.be Thema's Milieu en Gezondheid Wat onderzoekt de overheid? Gebromeerde brandvertragers en perfluorverbindingen in Vlaanderen

Gebromeerde brandvertragers en perfluorverbindingen in Vlaanderen

Achtergrond & doelstelling

Gebromeerde brandvertragers en perfluorverbindingen zijn twee recente klassen van persistente organische verbindingen met een hoog productievolume, een breed gamma aan toepassingsmogelijkheden (isolatiemateriaal, textiel, huishoudartikelen, e.a.) en een wereldwijde verspreiding. Ze worden echter slechts sinds een tiental jaren bestudeerd in wetenschappelijke milieustudies.

Gebromeerde brandvertragers en perfluorverbindingen komen voor onder vorm van verschillende congeneren, elk gekenmerkt door specifieke eigenschappen qua detectiemethodes, verspreiding en toxiciteit (gaande van hormoonverstoring, neurotoxiciteit, carcinogeniteit tot immunotoxiciteit).

Er is nog weinig geweten over het voorkomen van deze verbindingen in menselijke weefsels in Vlaanderen. Het feit dat deze verbindingen persistent zijn en dat ze bioaccumuleren in hogere organismen, het feit dat tamelijk hoge gehaltes van deze stoffen zijn aangetoond in Nederlandse moedermelk en het feit dat ze de placenta kunnen passeren, suggereert echter dat ook in de Vlaamse bevolking hoge gehaltes aan deze stoffen kunnen worden aangetroffen.

De hoofddoelstelling van deze studie was een eerste aanzet te geven voor een risicoanalyse van gebromeerde vlamvertragers (BFRs) en perfluorverbindingen (PFCs) voor Vlaanderen en hierbij behorende beleidsaanbevelingen op te stellen. Hiervoor werden verschillende deeldoelstellingen of onderzoeksfasen geformuleerd.

In de eerste plaats was het noodzakelijk om de analyses van beide groepen van componenten te valideren. Vervolgens werd een inventarisatie gemaakt van alle beschikbare blootstellingsinformatie betreffende de concentraties en verspreidingspatronen van BFRs en PFCs in Vlaanderen en in de rest van Europa. In een derde fase van het onderzoek werd een aanzet gemaakt tot identificatie van de verschillende blootstellingsroutes van BFRs en PFCs voor de Vlaamse bevolking. In een vierde fase werd alle in de literatuur beschikbare toxiciteitsinformatie geïnventariseerd en een selectie gemaakt van geschikte blootstellings- en effectmerkers voor niet-invasieve humane biomonitoring. Steunend op de verzamelde resultaten en informatie werd in een vijfde fase een blootstellings- en risico-analyse voor de Vlaamse bevolking opgesteld. In een laatste fase tenslotte werden de leemtes in de kennis en beleidsaanbevelingen geformuleerd.

Resultaten

Validatie analyseprocedures

Uit de validatiefase bleek dat voor de gebromeerde brandvertragers accurate en betrouwbare analysetechnieken werden ontwikkeld of reeds voorhanden zijn, en dit zowel voor de milieumatrices (voeding, huisstof) als voor de humane matrices (serum- en moedermelkstalen).

Voor de perfluorverbindingen (PFOS en PFOA) blijkt uit deze studie en internationale projecten dat de optimalisatie van de analysetechnieken voor de verschillende matrices nog in volle ontwikkeling is. In deze studie werd een betrouwbare analysetechniek ontwikkeld voor serumstalen. Voor de voedingsmatrices bleef de variatie voor bepaalde perfluorverbindingen binnen de uitgevoerde ringtesten hoog tot zeer hoog en dienen bijgevolg de analysetechnieken in de toekomst verder verfijnd te worden. Dit heeft tot gevolg dat de absolute perfluorgehaltes in de voedingsstalen met de nodige omzichtigheid moeten geïnterpreteerd worden.

Identificatie blootstellingsroutes

In deze studie werden stalen verzameld van groenten, vlees, eieren, koemelk, drinkwater en vis. Voor het geteelde voedsel werd er zowel van biologische als van klassieke landbouw bemonsterd. Gezien het beperkt aantal replicaten per voedselitem was het echter niet mogelijk om een betrouwbare uitspraak te doen over het effect van teeltwijze op BFR- of PFC-concentraties. Daarnaast werden stofstalen verzameld in 46 woningen en 10 kantoren. Tenslotte werden metingen uitgevoerd in humaan bloed en moedermelk.

Wat de gemeten BFR-contraties in voedselstalen betreft waren de gehaltes in producten van Vlaamse bodem, afhankelijk van het type staal vergelijkbaar (bv. groenten en fruit), lager (bv. eieren en koemelk) of hoger (bv. vlees) dan de waarden gevonden in andere buitenlandse studie(s).

Voor de stofstalen waren de mediaanwaarden hoger in kantoren dan in woningen. De statistische verwerking van de resultaten toonde een sterke indicatie aan dat in stof van woningen met veel tapijt en/of gordijnen de gehaltes aan BFRs hoger waren dan in woningen met weinig tapijten en/of gordijnen. Er kon geen effect worden aangetoond van de aan- of afwezigheid van elektronische apparatuur. In vergelijking met buitenlandse studies waren de BFR-gehaltes in stof uit Vlaamse woningen vergelijkbaar met gehaltes uit Groot-Brittanië en Nieuw-Zeeland, maar een factor 10 lager in vergelijking met stof afkomstig van de Verenigde Staten en Canada.

Wat de PFCs betreft, was vergelijking van de gehaltes in voeding met literatuurgegevens moeilijk gezien de beperkte beschikbare studies en het gebrek aan informatie over de geanalyseerde voedselsoorten. Ruwweg kunnen we stellen dat ook voor PFCs in voedsel geteeld in Vlaanderen soms vergelijkbare (bv. groenten/fruit en vlees), lagere (bv. koemelk) of hogere (eieren) gehaltes werden gemeten dan in andere studies.

Voor de PFCs in stof waren net zoals voor BFRs de mediane gehaltes in kantoren hoger dan in woningen. Er werden geen statistische verschillen gevonden tussen gehaltes in woningen met veel en woningen met weinig tapijten/gordijnen of elektronische apparatuur. In vergelijking met de literatuur waren de mediane gehaltes van PFOS en PFOA in stof uit Vlaanderen lager dan in Duitse, Engelse en Zweedse woningen. Voor de andere componenten was nauwelijks literatuur beschikbaar.

Binnen het huidig project werden ook PFCs gemeten in humaan bloed en moedermelk. In vergelijking met de internationale literatuur werden soms lagere, soms hogere gehaltes gemeten in humaan serum. Daarentegen, in vergelijking met buitenlandse studies lagen de gemeten PFOS- en PFOA-gehaltes in Vlaamse moedermelk beduidend hoger.

Blootstellings- en risico-analyse

In de laatste fase van de studie werd, gebruik makend van de verzamelde analyseresultaten en de toxiciteitsinformatie een BFR- en PFC-specifieke risico-evaluatie opgesteld. Er werd geen rekening gehouden met de impact van bereiding of verpakkingsmateriaal op de gehalten in levensmiddelen. Voor lucht (buiten en binnen) en voor bodem werd gebruik gemaakt van buitenlandse gegevens. Bovenstaande aanpak en de vastgestelde variatie in de perfluorconcentraties in de voedingsstalen zorgt ervoor dat de resultaten moeten beschouwd worden als een eerste preliminaire risico-inschatting en met de nodige omzichtigheid moeten geïnterpreteerd worden.

Voor de BFRs werd vastgesteld dat de totale inname in belangrijke mate wordt bepaald door de inname via voeding en dat bij vergelijking van de totale blootstelling met humaantoxicologische criteria, ook bij hoge innames, er geen overschrijding is van deze criteria. De inname via moedermelk vertoont evenwel een kleine marge met de humaantoxicologische criteria.

Voor de PFCs werd de schatting van de inname beperkt tot PFOS en PFOA. De totale inname van PFOS en PFOA wordt volledig bepaald door de inname via voeding. Bij kinderen wordt de inname gedomineerd door aardappelen (vooral PFOS), fruit en groenten. Voor PFOA zijn zuivel en vlees ook belangrijk, terwijl voor PFOS vis en visserijproducten nog van tel zijn. Bij volwassenen wordt de inname van PFOS gedomineerd door vis en visserijproducten, terwijl voor PFOA de inname vrij gelijk verdeeld is over vis en visserijproducten, aardappelen, fruit en groenten. Voor PFOS spelen aardappelen ook een belangrijke rol.

Uitgaande van de serummetingen werd via een ééncompartimentenmodel een schatting gemaakt van de inname (als voeding). Dit levert gemiddelde waarden op, die lager liggen dan hetgeen met de innameberekeningen geschat werd. Wanneer we de berekende inname vergelijken met humaantoxicologische criteria, dan stellen we vast dat er voor PFOS bij kinderen een overschrijding is van de TDI (reeds bij gemiddelde blootstelling), terwijl er voor PFOA nog ruime marge is tussen blootstelling en TDI.

Wat de analyse van de componenten betreft was de belangrijkste leemte in de kennis de onzekerheid om op een betrouwbare manier PFCs te meten in voedselstalen, voornamelijk in groenten. Omdat dit belangrijke consequenties heeft voor de risico-inschatting is het noodzakelijk dat geparticipeerd wordt aan internationale ringtesten voor die matrices of indien ze niet bestaan ze op te starten. Dit aandachtspunt wordt verder geadresseerd in het kader van het PERFOOD (Perfluoralkyl chemicaliën in de voedselketen: een beleidsondersteunende risico-analyse)-project, uitgevoerd in opdracht van de federale overheid.

Wat de verspreiding in het milieu betreft is nog weinig geweten over huidige en toekomstige belasting van verschillende milieucompartimenten (sedimenten, bodem, grondwater, ...) en wat de impact hiervan is op de voedselketen en de opname door de mens. Een verdere optimalisatie van de analysetechnieken voor andere matrices vormt een eerste stap in het systematisch opnemen van deze polluenten in routinematige analyses in het kader van bv. de bestaande meetnetten.

Betreffende de toxicologische effecten van BFRs en PFCs is er nog steeds nood aan relevante toxicologische informatie. Vooral voor de meer recente PFCs bestaan er momenteel nog grote kennisleemten omtrent de werkingsmechanismen, de toxico- en farmacokinetische karakteristieken en het lange-termijngedrag in het milieu. Verder onderzoek is nodig naar de organismale effecten van deze stoffen en dan vooral embryonale en foetale effecten en effecten op zuigelingen. In dit kader werden beide polluentklassen opgenomen in de huidige humane biomonitoringcampagne van het Steunpunt Milieu en Gezondheid zodat verder onderzoek kan worden verricht naar hun aanwezigheid en gezondheidseffecten in de Vlaamse bevolking, met speciale aandacht voor de kwetsbare groepen jongeren en pasgeborenen. Tevens worden in de studie 'Opmaak en uitvoeren van een draaiboek voor het uitvoeren van een moedermelkcampagne voor de gevalstudie 'Gechloreerde verbindingen in landelijke gebieden' in het kader van het geïntegreerde faseplan' BFRs gemeten in 100 moedermelkstalen afkomstig uit de landelijke gebieden van de humane biomonitoringcampagne van het eerste generatie Steunpunt Milieu en Gezondheid.

Rapporten

Download de samenvatting voor de studie "Gebromeerde brandvertragers en perfluorverbindingen in Vlaanderen: onderzoek naar verspreiding, humane opname, gehaltes in humane weefsels en/of lichaamsvochten, en gezondheidseffecten als basis voor de selectie van geschikte milieu- en gezondheidsindicatoren (pdf)"

De deelrapporten van deze studie zijn op aanvraag verkrijgbaar bij de dienst Milieu & Gezondheid.