Sla navigatie over
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
home | contact | pers | sitemap | publicaties | vacatures | english information
  Thema's  
     
  Campagnes  
     
  Doelgroepen  
     
  Over onze organisatie  
     
U bent hier: www.lne.be Thema's Milieu en Gezondheid Welke acties onderneemt de overheid? Faseplan: van humane biomonitoringresultaten naar concrete beleidsacties

Faseplan: van humane biomonitoringresultaten naar concrete beleidsacties (1e generatie Steunpunt Milieu en Gezondheid)

In opdracht van de Vlaamse Overheid liep in het kader van het eerste generatie steunpunt Milieu en Gezondheid van 2002 tot 2006 een humaan biomonitoringsprogramma in Vlaanderen.

Deze grootschalige campagne meet de interne blootstelling van de bevolking aan sommige stoffen die in het milieu voorkomen en mogelijke effecten ervan op de gezondheid.

Het mag echter niet bij meten alleen blijven. De meetcampagnes dienen immers niet alleen om een beeld te geven van de verbanden tussen milieuvervuiling en gezondheid in Vlaanderen, zij hebben vooral als doel een concrete basis te leveren voor een aangepast en efficiënt beleid. Zij kunnen bovendien bijdragen tot de evaluatie van het lopende beleid en aantonen waar bijsturingen nodig zijn.

Helaas geven de verkregen meetgegevens op zich weinig directe informatie over de mogelijke oorzaken van de gevonden afwijkingen. Metingen van chemische producten in de mens kunnen immers niet alleen beïnvloed worden door externe milieufactoren, maar ook door persoonsgebonden eigenschappen zoals levensstijl, hobby’s of woonomstandigheden. Het is dan ook erg belangrijk dat al deze factoren in rekening worden gebracht wanneer metingen in de mens als basis gebruikt worden voor concrete beleidsacties inzake milieu en gezondheid.

Om de resultaten van het humaan biomonitoringsprogramma te kunnen vertalen naar beleidsantwoorden werd onder impuls van de dienst Milieu & Gezondheid, in nauwe samenwerking met Toezicht Volksgezondheid en het Steunpunt Milieu en Gezondheid een plan voor een concrete en gecoördineerde actie ontwikkeld: het faseplan.

Dit faseplan moet toelaten de ernst van de gevonden signalen te evalueren, de oorzaken op te sporen en een beleid met gerichte acties uit te werken. Het doel van dit actieplan is dan ook de resultaten van de biomonitoring nader te onderzoeken en prioriteiten te stellen voor actie door de overheid.

Het faseplan

In verschillende fasen wordt achtereenvolgens ingezoomd op de ernst met betrekking tot de volksgezondheid van bepaalde meetresultaten, de oorzaken van vastgestelde afwijkingen en aanpak van mogelijke milieubronnen.

De expertronde waarin externe experten worden geconsulteerd en een jurydiscussie waarin ook maatschappelijke actoren betrokken worden vormen essentiële onderdelen van het faseplan.

Het faseplan werd oorspronkelijk opgesplitst in een voorfase en drie opeenvolgende fasen:
• voorfase: vaststellen en selecteren van overschrijdende biomerkerwaarden
• fase I: evalueren van geselecteerde overschrijdingen naar ernst en prioriteiten
• fase II: opzoeken van oorzaak en bron van de prioritaire overschrijdingen en opstellen plan van aanpak
• fase III: uitvoeren plan van aanpak
• fase IV: evaluatie plan van aanpak

Deze gefaseerde aanpak moet toelaten op verschillende momenten te evalueren en te beslissen welke maatregelen wenselijk zijn binnen afgesproken termijnen.

In de voorfase beoordelen experten elke biomerkermeting van vervuilende stoffen of gezondheidseffecten in de aandachtsgebieden in het licht van (1) internationale advieswaarden (voor zover beschikbaar), (2) internationale meetwaarden en (3) berekende Vlaamse referentiewaarden van alle onderzochte gebieden. Er wordt overgegaan naar volgende fasen van het actieplan bij afwijkingen ten opzichte van deze waarden of wanneer de situatie onafgezien van deze vergelijking door de deskundigen als ernstig wordt ingeschat.

In fase I wordt de ernst van de afwijking ingeschat en wordt ook de prioriteit voor verdere opvolging bepaald. De gegevens worden grondig geanalyseerd in het licht van onder andere internationale wetenschappelijke studies en biomonitoringgegevens en epidemiologische gegevens. Er wordt rekening gehouden met verschillende elementen zoals o.m. de aard van het gezondheidsrisico, de grootte en leeftijd van de betrokken bevolkingsgroep, de mogelijkheden om het probleem op te lossen, en maatschappelijke afwegingen (ethisch, sociaal en economisch).

Problemen die in fase I als ernstig worden ingeschat en ook prioritair om aan te pakken kunnen verder worden behandeld in fase II. Waar nodig worden in dit stadium aanbevelingen gedaan naar andere bevoegdheidsdomeinen (bv. huisvesting, gezondheid, mobiliteit).

In fase II wordt de oorzaak bekeken van de afwijkende metingen. Er wordt onderzocht of de afwijking te wijten is aan milieuverontreiniging, dan wel aan levensstijlfactoren (aard voeding, werk, hobby's, rookgewoonten) die eventueel systematisch verschillen tussen de aandachtsgebieden. Per biomerker wordt hiervoor een beknopt dossier samengesteld. De levensstijlfactoren worden meer in detail bestudeerd. Er wordt nagegaan of er milieumetingen, gegevens uit de emissie-inventaris, of milieu-effectrapporten beschikbaar zijn die duiden op een eventuele verhoogde blootstelling in de regio. Ook wordt nagegaan of er clusters zijn van hoger blootgestelden of gradiënten van blootstelling in een bepaalde regio.

Op basis van de verzamelde informatie wordt een plan van aanpak opgesteld met concrete beleidsacties en/of verder onderzoek.

Fase III richt zich op de uitvoering van het in fase II opgestelde plan van aanpak en de evaluatie ervan.

De fasen I en II worden doorlopen met onderzoekers, in combinatie met een panel van externe deskundigen uit verschillende vakgebieden en met een jury, samengesteld uit onder meer vertegenwoordigers van maatschappelijke groepen. Een transparant proces wordt nagestreefd en verschillende communicatiemomenten worden voorzien. Het faseplan besteedt bijzondere aandacht aan transparantie, kennisverbreding en draagvlak voor de werkwijze en de beleidskeuzen.

De coördinatie van het faseplan gebeurt door de 'coördinerende ambtenaar', een beleidsmedewerker van de Dienst Milieu & Gezondheid.

Dit gecoördineerd samenwerken laat toe de overheid na elke fase grondig en efficiënt te adviseren over welke prioriteiten kunnen gesteld worden en welke maatregelen genomen kunnen worden.

Het toepassen van een dergelijke methode is echter erg vernieuwend – niet alleen in Vlaanderen, maar ook Europees en internationaal. Het faseplan is bijgevolg een leidraad die voortdurend in ontwikkeling is.

In 2006 werd van start gegaan met een pilootproject rond de verhoogde p,p’-DDE-gehaltes gemeten in de landelijke gebieden en in de Albertkanaalzone. P,p’-DDE is een restproduct van DDT, een bestrijdingsmiddel dat in België al ruim dertig jaar verboden is. Op basis van deze meetresultaten en een aantal inhoudelijke criteria besloot de stuurgroep van het faseplan p,p’-DDE als pilootproject te selecteren voor fase II. Dit pilootproject had niet enkel tot doel de oorzaak en de bron van de p,p’-DDE-afwijkingen te achterhalen maar ook het ‘concept’ faseplan te evalueren en indien nodig aan te passen. Experten- en juryrondes werden doorlopen, waarna een samenvattend beleidsdocument aan de minister werd voorgelegd. Dit document bevatte een aantal beleidsaanbevelingen en voorstellen voor concrete beleidsacties; twee hiervan werden door de minister goedgekeurd voor uitvoering: (i) organiseren van een inzamel- en sensibiliseringsactie m.b.t. pesticiden, (ii) verder onderzoek naar de huidige en historische opnameroute van DDT.

Op basis van de ervaring opgedaan via het DDE-pilootproject werd begin 2008 gestart met de beleidsvertaling van de overige humane biomonitoringresultaten. Hierbij werden in het kader van fase I (evalueren van geselecteerde overschrijdingen naar ernst en prioriteiten) twee gevalstudies door beide inhoudelijk bevoegde ministers prioritair voor verdere aanpak in fase II bevonden. Er werd het volgende gesteld:

‘dioxines, PCB’s en HCB in landelijke gebieden’ en ‘astma in Gent en Antwerpen’ worden geselecteerd voor fase II. Voor gevalstudie ‘landelijke gebieden’ wordt verder onderzoek naar oorzaak en bron als eerste stap aanzien op basis waarvan concrete beleidacties zullen worden opgesteld. Voor gevalstudie ‘astma’ zal direct gestart worden met de opmaak van een concreet ‘ontwerpactieplan astma’ als ‘aangepaste’ invulling van fase II (de stap: opzoeken van oorzaak en bron wordt immers in dit kader niet als dusdanig uitgevoerd) 

De problematiek van gechloreerde verbindingen en van het toenemen van de astma-incidentie in stedelijke omgeving is uiteraard niet nieuw in Vlaanderen. De toegevoegde waarde van de humane biomonitoring en het bijhorende faseplan ligt in het feit dat specifieke aandachtspunten en -gebieden werden geïdentificeerd, de beschikbare meetresultaten grondig werden bestudeerd en in dit kader de reeds bestaande maatregelen werden geïnventariseerd en bestudeerd. Het onderzoek in het kader van het faseplan kan bovendien een stimulans betekenen voor het verder uitvoeren of opnieuw organiseren of het in het daglicht brengen van bestaande beleidsacties zodat de effectiviteit, draagkracht en draagwijdte ervan kunnen gestimuleerd worden.

Als laatste stap van het doorlopen van fase II werden twee concrete actieplannen opgesteld:

Meer informatie kan u vinden in het actieplan: "Rapportering stand van zaken geïntegreerd faseplan met betrekking tot humane biomonitoringresultaten eerste generatie Steunpunt Milieu en Gezondheid Fase II. Voorstel tot verdere beleidsacties (pdf)"

Het faseplan illustreert dat het uitvoeren van de Vlaamse humane biomonitoringcampagne niet enkel wetenschappelijk hoogstaand is, maar dat wetenschap ook in concrete beleidsacties kan worden omgezet. Een veelbelovende aanpak voor de toekomst dus. Het was echter niet altijd evident. Het ‘learning by doing principe’ was zeker aan de orde en factoren als ‘grote wetenschappelijke onzekerheid en complexiteit, hoge werkdruk en arbeidsintensiviteit’ bleken ook eigen te zijn aan het proces.

Een grondige en objectieve evaluatie van het proces en de procedure van het faseplan werd opgesteld. Deze evaluatie had als doel de werkwijze die leidt tot beleidsacties te beoordelen, in haar opzet en in de wijze waarop deze in praktijk is gebracht.

Download het rapport 'Proces-evaluatie faseplan Milieu & Gezondheid'  (pdf, 53 bladzijden, 0,5MB)

 

Landelijke gebieden zijn gebieden die: (i) een inwonersdichtheid hebben lager dan 250 inw/km², (ii) niet grenzen aan andere aandachtsgebieden, (iii) geen gekende VMM-emissiebron hebben of geen VMM emissie- en immissiegegevens hebben die wijzen op vervuiling, (iv) niet meer dan 5% industrie hebben (volgens gewestplan) en (v) geen snelweg door het grondgebied hebben. Hierbij dient wel duidelijk te worden gemaakt dat enkel gemeenten uit West- en Oost-Vlaanderen en uit Vlaams-Brabant in dit aandachtgebied werden opgenomen.