|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Blootstellingsonderzoek zware metalen in de Noorderkempen
Begin 2006 startte het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie in een consortium met het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, afdeling Toezicht Volksgezondheid, de Medisch Milieukundigen bij de LOGO’s Noorder- en Zuiderkempen, OVAM en VMM met een grootschalig blootstellingsonderzoek in de Noorderkempen. Dit onderzoek kadert in het actieplan cadmium – actie 9 'linken van stofmetingen aan biomonitoringsprogramma: een meetprogramma wordt opgestart in de woonwijk Overpelt-cité' en actie 17 ‘opstarten nieuw biomonitoringsonderzoek’.
Het onderzoek werd uitgevoerd in de gemeenten Mol, Balen, Lommel, Overpelt, Neerpelt en Hechtel-Eksel (= controlegroep). De bedoeling was om na te gaan of de mensen die in de leefomgeving van de non-ferrobedrijven wonen, anno 2006 nog steeds een verhoogde lichaamsbelasting aan cadmium en arseen hebben. Dit is belangrijk omdat een verhoogde hoeveelheid van deze metalen aanleiding kan geven tot gezondheidsschade zoals geconcludeerd werd in de studie van professor Staessen (KULeuven) na metingen op bloed en urine in de jaren ’80 -‘90. Ook wilden we nagaan of er in deze regio mogelijk tevens een probleem bestaat wat lood betreft.
In de Noorderkempen (Balen, Overpelt en Lommel) is er sinds eind 19e eeuw non-ferro industrie gevestigd. Dit heeft geleid tot een historische verontreiniging met zware metalen. De fabriek te Lommel werd begin jaren ’70 gesloten, de zinkfabrieken van Nyrstar (voorheen Umicore) te Balen en Overpelt zijn nog steeds actief.
Deze industrieën lieten in de negentiende eeuw hun oog vallen op de Kempen voor de goede infrastructuur (verschillende kanalen, spoorlijnen, …). De lage bevolkingsdichtheid en de uitgestrektheid van het gebied maakten de Kempen uiterst geschikt voor vervuilende productieprocessen. De landbouw bracht bovendien niet veel op en de werkloosheid was hoog. Hierdoor waren gronden en arbeidskrachten in die tijd zeer goedkoop.
Bij de productieprocessen kwamen grote hoeveelheden zware metalen vrij in de omgeving. Daarnaast werden vroeger de restproducten (assen) gebruikt als onkruidvrij materiaal voor de aanleg van wegen en opritten, het ophogen van percelen, …. Dit heeft altijd al geleid tot ongerustheid bij de omwonenden. Sinds de jaren ’70-‘80 worden de mensen meer milieubewust en zijn er heel wat initiatieven genomen om de problematiek uitgebreid te onderzoeken, ondermeer door een onderzoeksgroep van de KULeuven en de UCL, en aan te pakken. Op basis van o.a. deze onderzoeken werden de bedrijven door de overheid aangezet om bijkomende inspanningen te leveren om de uitstoot terug te dringen. Dit is zeker merkbaar in de uitstoot van de bedrijven die sinds de jaren ’70 gevoelig gedaald is.
Zware metalen worden echter niet afgebroken in het leefmilieu. Daarom is deze verontreiniging nog steeds aanwezig en kan deze nog steeds een invloed uitoefenen op de mens en de natuur.
In januari 2006 ontstond er in de Noorderkempen heel wat onrust naar aanleiding van het bekend worden van resultaten van wetenschappelijk onderzoek van de onderzoeksgroep van Prof. Staessen (KU Leuven). Daaruit bleek dat in de nabije omgeving van de non-ferro industrie mensen die al meer dan 25 jaar in de regio woonden meer in contact kwamen met het zware metaal cadmium. Hierdoor liepen ze een hoger gezondheidsrisico, specifiek op longkanker, dan mensen die in een controlegebied woonden.
Daarom werd op vraag van de Vlaamse overheid tussen 2006 en nu onderzocht hoe het vandaag met die blootstelling aan zware metalen gesteld is.
De resultaten van dit onderzoek werden bekend gemaakt op 18 juni 2008. Ze geven een inzicht over de mate waarin bewoners in de Noorderkempen vandaag in contact komen met lood, cadmium en arseen, alsook via welke wegen zij met deze metalen in contact komen en wat dat betekent voor hun gezondheid.
Voor de inwoners van Overpelt, Neerpelt, Lommel en Hechtel-Eksel werd er op 18 juni van 18 uur tot 22 uur een infomarkt georganiseerd in de Muzezaal van het CC Palethe te Overpelt.
Voor de inwoners van Balen en Mol werd er op 19 juni van 18 uur tot 22 uur een infomarkt georganiseerd in de Boerenbriel te Mol.
Wie en wat werden onderzocht ?
In totaal werden er 1217 volwassenen (20j-79j) onderzocht. De deelnemers moesten minstens 8 jaar in het gebied wonen. Mensen die pas in het gebied wonen, hebben in het algemeen minder zware metalen in hun lichaam. In het bloed en de urine van deze mensen werden de gehaltes cadmium en arseen gemeten.Deelnemers werden geselecteerd in drie verschillende gebieden (moet figuur onderzoeksgebied_volwassenen komen):
Onderzoeksgebied S (met geel omlijnd) in de directe omgeving van de fabrieken: deze zone komt overeen met het oorspronkelijk onderzoeksgebied van prof. Staessen.
Onderzoeksgebied R (de gekleurde cirkels): omvat een ruimere zone (5 km) rondom de fabrieken
Een controlegebied (Hechtel-Eksel-HE): om een vergelijking te maken met een minder vervuild gebied.
Door de gehaltes cadmium, arseen en lood tussen deze verschillende gebieden te vergelijken kunnen we afleiden waar de belasting het grootst is. Door de huidige gegevens te vergelijken met die uit de jaren ‘80 kunnen we nagaan of de belasting positief of negatief is geëvolueerd doorheen de jaren.
Cadmium in bloed/urine volwassenenCadmium wordt opgenomen via onder andere voeding (bvb. zelfgeteelde groenten) en via inademing (bvb. stof, sigarettenrook). Cadmiumdeeltjes komen eerst in het bloed terecht. Het cadmiumgehalte in het bloed geeft een beeld van hoeveel werd opgenomen gedurende de laatste 3 à 4 maanden. Via het bloed komt cadmium in de lever en nieren terecht. Via urine verlaat het zeer traag het lichaam. De hoeveelheid cadmium in de urine zegt iets over de levenslange cadmiumbelasting bij de deelnemers.
Arseen in bloed/urine volwassenMensen kunnen arseen opnemen via voeding, roken, putwater, …. Het arseengehalte in de urine is een maat voor de opname van de laatste dagen voor het onderzoek.
Lood in bloed kleutersKinderen nemen via hand-mond gedrag en via contact met bevuild speelgoed relatief meer zware metalen op dan volwassenen. Kinderen zijn specifiek voor wat lood betreft extra gevoelig. Lood in bloed geeft aan hoeveel de kleuters de afgelopen maanden in contact gekomen zijn met lood.
De doelstelling van dit onderzoek is het bepalen van de huidige totale cadmium- en arseenopname en het relatieve belang van de verschillende blootstellingsroutes als basis van een geïntegreerde risico-analyse voor een statistisch relevante subgroep van deelnemers aan de biomonitoringstudie.
Concreet houdt deze doelstelling in dat er een berekeningsmodel wordt opgesteld om de humane biomonitoringsgegevens te kunnen koppelen aan de milieumetingen (cadmium- en arseenmetingen in zwevend en/of neervallend stof binnen- en buitenshuis, bodem, voeding, ...). Dit kan eruit bestaan dat bestaande verspreidings- en blootstellingsmodellen dienen op elkaar afgestemd te worden en aangepast aan de concrete situatie waarbij een uitbreiding met een farmacokinetisch luik dient voorzien te worden waarmee de verdeling in het lichaam kan berekend worden.
MilieumetingenBij 100 deelnemers en op 14 publieke plaatsen (scholen, kerken, …) werden nog extra metingen gedaan: cadmium-, arseen- en loodgehaltes werden bepaald in de tuingrond, de groenten, het stof in huis, putwater en lucht. De bedoeling van deze milieumetingen is nagaan op welke manier de omwonenden in contact komen met zware metalen.
Hoe ervaren de omwonenden de zware metalenproblematiek?De overheid wil ook graag weten wat bij de mensen leeft, hoe zij deze problematiek ervaren. Om te komen tot een breed maatschappelijk gedragen aanpak van de problematiek die goed aansluit bij wat de mensen beweegt, werd de deelnemers ook gevraagd naar hoe zij de problematiek ervaren, of zij zelf voorzorgsmaatregelen nemen om het contact met zware metalen te beperken, wie moet instaan voor de aanpak van de problematiek, hun eigen rol daarin etc.
Resultaten van de meetgegevens bij de omwonendenIn de onderzoeksgebieden S en R werden bij de deelnemers ongeveer even hoge gehaltes cadmium in bloed gemeten. Wel is er een duidelijk verschil met het controlegebied HE, waar het gehalte lager is. In alle 3 gebieden liggen de gemiddelde waarden onder de richtwaarde, waaronder er geen gezondheidsrisico’s zijn. 3% van alle deelnemers hebben een cadmiumgehalte boven de richtwaarde.
Wat betreft het cadmiumgehalte in urine werden de hoogste waarden gemeten in de ruimere omgeving R. Er is een duidelijk aantoonbaar verschil met het controlegebied HE. Tussen de zone S en HE is er geen duidelijk verschil. In de drie gebieden ligt de gemiddelde waarde onder de richtwaarde (660 ng/g creatinine), waaronder er geen gezondheidsrisico’s zijn. Toch zitten 32% van alle deelnemers boven de richtwaarde.
Vergelijking met de gegevens van Cadmibel en PheecadWe kunnen de gegevens van het BONK onderzoek (2006) voor referentiegebied HE en voor onderzoeksgebied S vergelijken met de resultaten van CadmiBel (1985-1989) en PheeCad (1991-1995). Onderzoeksgebied R was niet opgenomen in deze studies. In PheeCad-fase 2 (tot 2004) werden geen urinestalen geanalyseerd. De vergelijking werd gemaakt voor de resultaten voor niet-rokende, 40-59 jarige, vrouwelijke deelnemers.
Voor bloed cadmium (ng/l) stellen we zowel voor referentiegebied HE als voor onderzoeksgebied S een statistische significante reductie vast. Voor onderzoeksgebied S waren de dalingen van de periode 85-89 naar 91-95, van 91-95 naar 2003 en van 2003 naar 2006 statistisch significant. In HE was er een lichte stijging in de periode 2003, maar naar 2006 stellen we terug een daling vast. Van 1985-1989 tot 2006 daalde het gemiddelde cadmiumgehalte in bloed met 53% in referentiegebied HE; in onderzoeksgebied S is dit ook 53%. De daling is vergelijkbaar in de gebieden rond de fabriek en het referentiegebied.
Voor urinair cadmium, per gram creatinine, stellen we zowel voor referentiegebied HE en onderzoeksgebied S een reductie vast. Deze daling is niet even sterk in de twee gebieden. Het gehalte aan urinair cadmium is in HE en in S significant gedaald van 1985-89 naar 1991-1995; en van 1991-1995 naar 2006. De daling is sterker in de gebieden rond de fabriek dan in het referentiegebied. Van 1985-1989 tot 2006 daalde het gemiddelde urinair cadmiumgehalte met 35% in referentiegebied HE; in onderzoeksgebied S is dit 55%.
Er werden geen duidelijk aantoonbare verschillen gevonden tussen de drie gebieden. De gemiddelde gehaltes liggen onder de richtwaarde (10 µg/g creatinine), waaronder er geen gezondheidsrisico’s zijn. Van alle deelnemers zit 14% boven de richtwaarde.
Vergelijking met de gegevens van Cadmibel en PheecadWe kunnen de gegevens van het BONK onderzoek (2006) voor referentiegebied HE en voor onderzoeksgebied S vergelijken met de resultaten van CadmiBel (1985-1989) en PheeCad (1991-1995). Onderzoeksgebied R was niet opgenomen in deze studies. In PheeCad-fase 2 (tot 2004) werden geen urinestalen geanalyseerd. De vergelijking werd gemaakt voor de resultaten voor niet-rokende, 40-59 jarige, vrouwelijke deelnemers.
Voor referentiegebied HE en onderzoeksgebied S stellen we een statistische significante reductie vast in toxicologisch relevant arseen (mg/g crea). De reductie is verschillend in de twee gebieden. Voor onderzoeksgebied S en voor referentiegebied HE waren de dalingen van de periode 85-89 naar 91-95, en van 91-95 naar 2006 statistisch significant. Het gehalte opgemeten in 2006, in Hechtel- Eksel is gedaald met 46% t.o.v 1985-1989, in onderzoeksgebied S met 78%.
De kinderen die in een straal van 2 km rond de fabriek naar school gaan, hebben gemiddeld meer lood in hun bloed in vergelijking met het controlegebied. Zowel in het onderzoeksgebied als in het controlegebied hebben kleuters veel minder lood in het bloed dan de richtwaarde (10 µg/dl), waaronder de kans op gezondheidseffecten klein is.
De helft van de deelnemers in de onderzoeksgebieden R en S ervaart de aanwezigheid van zware metalen in hun gemeente als een probleem. In het controlegebied HE is dit slechts 21%.
Meer dan 4 op 10 deelnemers in de nabije omgeving (S) en ongeveer 3 op 10 deelnemers in de iets ruimere omgeving (R) kent voorzorgsmaatregelen en past ze toe. In het controlegebied is dit slechts ongeveer 1 op 10.
De deelnemers konden aanduiden wie moest instaan voor de oplossing van de problematiek. Op de eerste plaats kwam de fabriek, gevolgd door de Vlaamse overheid en tenslotte de lokale overheid. De bevolking werd door zeer weinig deelnemers aangeduid.
In de nabije omgeving van de fabrieken geeft 44% van de deelnemers aan dat ze voorzorgsmaatregelen nemen om het contact met zware metalen te beperken.
Bij de vraag over hoe de bevolking betrokken moet worden bij de aanpak van het probleem antwoordden de deelnemers dat ze vooral via intensievere vormen van dialoog en overleg betrokken wilden worden; werkgroep met vertegenwoordigers, raadplegingen via hoorzittingen. Slechts een tiental procent van de ondervraagden was bereid om zelf actief deel te nemen aan het meedenken en meewerken aan oplossingen.
1. Hoe komen de mensen in de gemeenten Mol, Balen, Overpelt, Neerpelt en Lommel in contact met zware metalen?
Het onderzoeksteam heeft uit de combinatie van milieumetingen en metingen in de mens kunnen afleiden dat de lokale bevolking vooral via voeding (inclusief zelfgeteelde groenten) in contact komt met de zware metalen cadmium en arseen. Voor arseen komt ook drinkwater naar voren als bepalende factor. Mensen die roken komen in ieder geval meer in contact met zware metalen.
2. Waar is de lichaamsbelasting aan cadmium het grootst?
Voor cadmium ligt de lichaamsbelasting hoger in de ruimere omgeving dan in de zeer nabije omgeving van de fabrieken. Mogelijks kan dit verklaard worden door de grotere aandacht die besteed werd aan preventie in de nabije omgeving.
3. Wie komt het meest in contact met zware metalen?
De cadmiumbelasting in de nieren is het grootst bij ouderen die al in de regio woonden toen de vervuiling nog groter was. Gemiddeld genomen hebben inwoners die nu jonger dan 50 jaar zijn, een beperkt risico om op hun 50ste de richtwaarde, waaronder er geen gezondheidsrisico’s zijn, voor cadmium te overschrijden. Baby’s die nu geboren worden hebben een zeer kleine kans dat ze de richtwaarde voor cadmium overschrijden op hun 50ste.
4. Hebben kleuters teveel lood in hun bloed?
De loodwaarden in het bloed van de kleuters liggen hoger in het onderzoeksgebied dan in het referentiegebied Hechtel-Eksel maar ver beneden de huidige richtwaarde, waaronder de kans op gezondheidseffecten klein is.
5. Groter risico op longkanker?
Cadmium is een kankerverwekkende stof. Inademen van cadmium kan longkanker veroorzaken. Berekeningen tonen aan dat het risico op longkanker hoger is in de directe omgeving van de fabrieken. Als er 1 miljoen mensen hun hele leven in de directe omgeving met de huidige luchtconcentraties zouden wonen, zouden er 3 extra longkankers voorkomen als gevolg van de aanwezigheid van cadmium.
Op basis van de resultaten kunnen vijf belangrijke conclusies worden getrokken:
Uit een onderzoek zoals BONK kunnen alleen conclusies getrokken worden op groepsniveau. Een risico-inschatting op individu-niveau is hiermee niet mogelijk. Het is niet uit te sluiten dat individuen binnen de groep een ander – groter of kleiner – risico op gezondheidsschade lopen. Dit is afhankelijk van hun hoogst persoonlijke levensgeschiedenis, leefgewoonten en hun persoonlijke gevoeligheid.
Doel is om samen met experten, lokale actoren, lokale gemeenschappen en het bedrijf te onderzoeken of de resultaten aanleiding moeten geven tot nieuwe acties of maatregelen. Door samen te werken aan het probleem, is de aanpak efficiënter en gedragen door alle betrokken actoren.
Daarom worden de resultaten van het onderzoek de volgende maanden verder beleidsmatig geïnterpreteerd en dit in samenwerking met verschillende wetenschappelijke experten, zowel op milieu- als op gezondheidsvlak. Op basis hiervan zal in de herfst van 2008 samen met de lokale milieu-adviesraden, lokale gezondheidsactoren zoals huisartsen, de stuur- en begeleidingsgroep, en het bedrijf verder gewerkt worden aan mogelijke preventieve beleidsacties op het vlak van milieu en gezondheid.
Op deze manier zal de overheid op basis van alle nodige kennis en inzichten, en samen met het bedrijf, de bevolking en de lokale actoren, blijven verder werken aan de aanpak van de historische metaalvervuiling in de Noorderkempen. Timing
Technische WerkgroepHet Blootstellingsonderzoek werd getrokken en gecoördineerd door een technische werkgroep. Deze werd geleid door het team Milieugezondheidszorg van de afdeling Toezicht Volksgezondheid. De technische werkgroep bestaat uit:
Alle lokale actoren en betrokkenen (gemeenten, provincies, huisartsen, scholen, het bedrijf, buurtwerking, CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding), …) hadden de mogelijkheid te zetelen in een zogenaamde stuur- en begeleidingsgroep. Ze werden geregeld via mail en vergaderingen geïnformeerd over de stand van zaken. Over een aantal zaken werden ze geraadpleegd, zoals fijnstelling van de opzet van het onderzoek, communicatie naar de bevolking, … Ze fungeerden als een soort van klankbord en konden de Vlaamse Overheid informeren over de lokale bezorgdheden, opmerkingen en vragen.
Van elke vergadering werd een verslag opgemaakt dat samen met de presentaties werd gepubliceerd op de website van de medisch milieukundigen: www.mmk.be/bonk.
Deze nauwe samenwerking was van uitermate groot belang voor een vlotte uitvoering van het project.
ExpertenconsultatieTijdens het verwerkingsproces van de resultaten werden externe experten in een vroege fase betrokken bij de interpretatie van de resultaten. De experten, met zowel expertise in het gezondheidskundige, volksgezondheidskundige als het milieukundige luik, beoordeelden tijdens een ééndaags discussieforum de opzet, de verwerking, de betekenis en de interpretatie van de resultaten. Enige tijd voordien ontvingen ze informatie over de gevolgde methodologie in alle onderdelen van het onderzoek. De expertenconsultatie resulteerde in een uitermate boeiende gedachtewisseling tussen de technische werkgroep en de experten. Algemeen werd door de experten gesteld dat de huidige studie een goed uitgevoerde dwarsdoorsnede studie is zonder grote hiaten of knelpunten. Uiteraard werden voor alle luiken inhoudelijke aandachts- en discussiepunten besproken, die zo goed als mogelijk werden meegenomen in de verdere verwerking en bespreking van de resultaten.
Voor gedetailleerde beschrijvingen en resultaten wordt verwezen naar de deelrapporten: Voor meer informatie kan u ook terecht bij de Medisch Milieukundigen bij het LOGO in de regio:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||