Sla navigatie over
www.lne.be
home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information
  Situering  
     
  Adaptatie  
     
  Vlaams Klimaatbeleidsplan 2006-2012  
     
  Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020  
     
  CO2-emissiehandel  
     
  Flexibele mechanismen  
     
  CO2 verminderen: doe mee!  
     
  Verdunning van de ozonlaag  
     
  Klimaatbeleid  
     
U bent hier: www.lne.be Thema's Klimaatverandering Klimaatbeleid Europees beleidskader

Europees beleidskader

EU doelstellling 2020

Op 8 en 9 maart beslisten de staats- en regeringsleiders van de Europese Unie dat de Europese Unie, onafhankelijk van de uitkomst van een internationaal klimaatakkoord, haar broeikasgasuitstoot tegen 2020 met 20% moet verminderen ten opzichte van 1990. Indien er een internationaal klimaatakkoord is, is de EU bereid haar emissies te verminderen met 30% ten opzichte van 1990 op voorwaarde dat andere ontwikkelde landen zich tot vergelijkbare emissiereducties verbinden en dat economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheden en capaciteiten. De klimaatbeslissing vindt u op pagina 10-13 in de volledige beslissingstekst van de Europese Raad (pdf, 225kB). Deze Europese doelstelling wordt de volgende jaren verdeeld over de verschillende lidstaten.

De EU voorstellen en beleidsopties zijn samengevat in de brochure "EU action against climate change - Leading global action to 2020 and beyond".

De interne lastenverdeling

De EU-15 (een groep van vijftien Europese landen) in zijn geheel verbond zich in Kyoto tot een vermindering van de emissies met 8% in de periode 2008-2012 tegenover die van het referentiejaar 1990. Een Europees akkoord verdeelde in 1998 die reductie onder de lidstaten. België engageerde zich tot een vermindering met 7,5%.

De EU-15 telt als één deelnemende partij. Haalt zij op het einde van de eerste verbintenisperiode 2008-2012 de emissiereductiedoelstelling voor Europa niet, dan kan het akkoord de individuele lidstaten wel aansprakelijk stellen voor de niet-naleving van hun verbintenissen. Haalt Europa de doelstelling wel, dan kan men geen enkele lidstaat juridisch bestraffen onder de bepalingen van het Protocol.

Het Europese klimaatprogramma

De Europese unie was op internationaal vlak altijd al een pionier in de strijd tegen de verandering van het klimaat. Sinds de Verenigde Staten afhaakten in het Kyotoproces is haar stuwende kracht nog belangrijker. In 2000 legde Europa haar rol vast in een programma over de bestrijding van de klimaatverandering (EPK) (pdf, 589kB). In dat kader werkte de Commissie een klimaatactieplan en een emissiehandelssysteem uit.

Eind 2005 begon een tweede fase van het Europese programma rond klimaatverandering. Dit programma trekt de krijtlijnen van het toekomstige EU-beleid in de strijd tegen de klimaatverandering en de aanpassing aan de onvermijdelijke gevolgen ervan.
In deze fase wil de Commissie de innovatie in klimaatvriendelijke technologieën steunen, onderzoek uitvoeren naar geologische koolstofopslag en een aantal sectoren zoals de luchtvaart, de scheepvaart en het wegtransport opnemen in haar reductiestrategie. Het emissiehandelssysteem van de EU blijft een belangrijk instrument in de bestrijding van klimaatverandering.

Verschillende andere EU-beleidsplannen ondersteunen dit klimaatbeleid, namelijk het Zesde Milieuactieprogramma, de Strategie Duurzame Ontwikkeling en de Lissabon-strategie.

De Europese regelgeving

Om het EPK uit te voeren nam de Europese Commissie een aantal wetgevende initiatieven, die in belangrijke mate de lijnen trekken van het klimaatbeleid in Vlaanderen.

Hierna volgt een korte beschrijving van de voornaamste Europese regelgeving.

  • Emissiehandel

Voordat het Protocol van Kyoto in werking trad, werkte de Europese Commissie in richtlijn 2003/87/EG (pdf, 143kB) een systeem uit dat de emissiehandel tussen Europese bedrijven organiseerde. Het Europese CO2-emissiehandelssysteem trad op 1 januari 2005 in werking.

Het doel van deze richtlijn is de lidstaten hulp te bieden om hun verplichtingen in het kader van het Protocol na te komen. De handel in emissierechten brengt geen nieuwe milieudoelstellingen mee, maar maakt wel een goedkopere naleving van de bestaande reductiedoelstellingen mogelijk. Door bedrijven emissierechten te laten kopen of verkopen kunnen zij deze objectieven met zo weinig mogelijk kosten bereiken. Zonder de regeling voor de handel in emissierechten zou men andere en vaak duurdere maatregelen moeten nemen.

De nationale toewijzingsplannen legden de totale hoeveelheid CO2-emissierechten vast die de lidstaten tijdens de handelsperiode aan de betrokken ondernemingen verlenen.

De regeling voor handel in emissierechten omvat binnen de Europese Unie in totaal ongeveer twaalfduizend installaties met een aandeel van 45 tot 50% van de CO2-uitstoot. Het gaat om verbrandingsinstallaties, olieraffinaderijen, cokesovens, ijzer- en staalfabrieken en producenten van cement, glas, kalk, baksteen, keramische producten, pulp en papier.

Voor het administratieve beheer van het emissiehandelssysteem legt elke lidstaat een register aan. Dit register staat in voor de nauwkeurige registratie van de verlening, het bezit, de overdracht en de annulering van emissierechten van broeikasgas. Verordening 2004/2216/EG (pdf, 421kB) van het registersysteem regelt het verloop van deze transacties.

  • Projectgebonden flexibiliteitsmechanismen

Richtlijn 2004/101/EG (pdf, 63.2kB) , de ’linking directive’, werkt het CDM/JI-amendement uit op de richtlijn 2003/87/EG over verhandelbare emissierechten. Deze richtlijn wil een brug vormen tussen het Europese systeem van verhandelbare emissierechten en de projectgebonden flexibiliteitsmechanismen van het Protocol. Bedrijven, die onder de richtlijn verhandelbare emissierechten vallen, kunnen zo CDM/JI-emissiekredieten inzetten om te voldoen aan hun verplichtingen in de richtlijn. Dit vergroot de waaier aan instrumenten voor bedrijven en zal tot een kostenvermindering leiden.

Bedrijven kunnen gebruik maken van CER’s vanaf 2005 en van ERU’s vanaf 2008. Er geldt echter een beperking van het gebruik van CER’s en ERU’s vanaf 2008 tot de maximale hoeveelheid die de lidstaten in hun Toewijzingsplan 2008-2012 vastlegden.

     

  • Elektriciteitsopwekking uit warmtekrachtkoppeling

Het doel van richtlijn 2004/8/EG (pdf, 352kB) is het energierendement te vergroten en de zekerheid van de energievoorziening te verbeteren door de bevordering en ontwikkeling van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling (WKK) binnen de interne energiemarkt.

  • Elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen

Richtlijn 2001/77/EG (pdf, 225kB) heeft tot doel het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de elektriciteitsproductie binnen de interne elektriciteitsmarkt te verhogen.

In 2010 moet voor de hele EU 22% van het elektriciteitsverbruik voortkomen uit hernieuwbare energiebronnen.

  • Energieprestatie van gebouwen

Het voornaamste doel van richtlijn 2002/91/EG (pdf, 131kB) is de energieprestaties van gebouwen in de EU te bevorderen. De richtlijn stelt dat men bij voorkeur die maatregelen neemt die het meest inwerken op de kosten.

Gezien het lage vernieuwingspercentage van gebouwen is het duidelijk dat vooral het bestaande gebouwenbestand kan bijdragen tot een verbetering van de energieprestaties op korte en middellange termijn. De richtlijn bevat vier kernelementen voor de gebouwen: een berekeningsmethode voor de geïntegreerde energieprestatie, minimumnormen, een certificaat voor de energieprestatie, en een regelmatige inspectie van verwarmingsketels en klimaatregelingsystemen.

  • Energie-efficiëntie bij eindgebruik en energiediensten

Het doel van richtlijn 2006/32/EG (pdf, 454kB) is het vastleggen van streefwaarden voor energiebesparing door de lidstaten, een verbetering van de markt voor energiediensten en de bevordering van andere maatregelen voor een betere energie-efficiëntie.

De richtlijn houdt in dat de lidstaten in een periode van negen jaar 9% besparen op het gemiddelde eindverbruik van energie dat onder het toepassingsgebied van de richtlijn valt. De zeevaart, de luchtvaart en de eindverbruikers onder het toepassingsgebied van emissiehandel en defensie tellen hierbij niet mee. De doelstelling is indicatief, maar stelt wel dat de lidstaten kostenverminderende, efficiënte en redelijke maatregelen moeten nemen om de doelstelling te halen.

  • Gebruik van biobrandstoffen in het vervoer

Richtlijn 2003/30/EG (pdf, 121kB) wil in de eerste plaats een bevordering van het biobrandstoffengebruik. De lidstaten moeten hiervoor een nationale wetgeving uitwerken. Die moet garanderen dat vanaf 2005 biobrandstoffen een bepaald minimum voor hun rekening nemen van de totale verkoop van transportbrandstof op hun grondgebied. Voor 2005 geldt een minimum van 2% en dat aandeel moet van jaar tot jaar stijgen tot 5,75% in 2010.

  • Belasting van personenauto’s

In een voorstel van richtlijn (COM/2005/261) (pdf, 236kB)is de opname voorzien van een CO2-parameter in de belastinggrondslag van zowel de jaarlijkse motorrijtuigenbelasting als de registratiebelasting. Er komt dus een opsplitsing volgens het aantal gram CO2 dat een auto per kilometer uitstoot. Hiervan hangt het bedrag van de motorrijtuigenbelasting af. Tegen 31 december 2008 zou minstens een kwart van de totale opbrengst van de registratie- en de jaarlijkse motorrijtuigenbelasting voortkomen uit de CO2-parameter van de betreffende belasting. In 2010 moet deze parameter voor de helft bijdragen in de opbrengst van de belasting.

  • Vrijwillige overeenkomst met de automobielsector

Er komt een vrijwillige overeenkomst met de Europese Associatie van automobielfabrikanten (ACEA). Deze overeenkomst voorziet een CO2-emissie-doelstelling van 140 g/km voor de nieuwe in de EU verkochte auto’s tegen het jaar 2008 (C(1999)107). In september 1999 kwam er een bijkomende overeenkomst met de Japanse en Koreaanse automobielfabrikanten (JAMA en KAMA) over dezelfde CO2-doelstelling tegen 2009. Beschikking 1753/2000/EG (pdf, 232kB) koppelt hieraan een opvolgingssysteem om de CO2-uitstoot door personenwagens te bewaken.

  • Consumenteninformatie nieuwe personenwagens

Richtlijn 1999/94/EG (pdf, 234kB) verzekert de beschikbaarheid van gegevens over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van in Europa verkochte of geleasde nieuwe personenauto's. Zo kan de consument met kennis van zaken een keuze maken.

  • Gefluorideerde broeikasgassen

De verordening 2006/842/EG (pdf, 103kB) over bepaalde gefluorideerde gassen zorgt voor een wetgevend kader voor de beperking van de emissie van HFK's, PFK's en SF6. Deze verordening bevat bepalingen over de insluiting, de rapportage, het op de markt brengen en het gebruik van gefluorideerde gassen.

Daarnaast is er de richtlijn 2006/40/EG (pdf, 87.7kB) over emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen. Deze richtlijn voorziet in een eerste fase in verplichtingen over het toegelaten lekverlies van gefluorideerde broeikasgassen uit airco’s van voertuigen. In een tweede fase voorziet deze ontwerprichtlijn in een verbod op het gebruik van gefluorideerde broeikasgassen met een GWP-waarde hoger dan 150 in voertuigen.

  • Luchtvaart

In mededeling COM/2005/459 (pdf, 175kB) pleitte de Commissie voor de opname van de luchtvaart in het EU–emissiehandelssysteem. Eind 2006 lanceerde de Commissie hiervoor een voorstel van richtlijn (COM/2006/818) (pdf,280kB)

Ook komen er maatregelen voor de handhaving en versterking van de ondersteunende luchtvaartactiviteiten zoals onderzoek, de verbetering van ’air traffic management’, technische standaarden en het wegwerken van taxatiebarrières.