|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Flexibele mechanismen
Algemene situering flexibele mechanismenHet Protocol van Kyoto en de Akkoorden van Marrakech zijn afgesloten in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering. Ze hebben tot doel de emissies van broeikasgassen zodanig te beperken dat de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau wordt gehouden waarbij geen gevaarlijke klimaatveranderingen kunnen optreden. Het Protocol van Kyoto staat toe dat deze verbintenis niet volledig door activiteiten op het eigen grondgebied moet worden bereikt. De Partijen kunnen immers in zekere mate en in aanvulling op hun binnenlandse beleidsmaatregelen ook een beroep doen op mechanismen die hen een zekere flexibiliteit bieden in de hen toegewezen emissiehoeveelheid, hierna ‘flexibele mechanismen’ genoemd. De flexibele mechanismen komen er in essentie op neer dat Partijen de hen toegewezen emissiehoeveelheden kunnen verhogen door “emissierechten” of “emissiekredieten” te verwerven. Het uitgangspunt is dat het gebruik van deze economische beleidsinstrumenten de kosten van uitstootverminderingen kunnen beperken en het behalen van de reductiedoelstellingen voor individuele partijen kunnen versoepelen. Landen die op een goedkope wijze meer vermindering kunnen realiseren dan ze door het Protocol verplicht zijn, zullen dat ook werkelijk doen. Ze hebben immers een financieel voordeel doordat ze hun overtollige emissierechten kunnen verhandelen. Het globale resultaat is hetzelfde maar de totale reductiekosten vallen lager uit. Types flexibele mechanismenDe verschillende flexibele mechanismen zijn:
Projectgebonden mechanismenJI en CDM zijn voor het verkrijgen van bijkomende emissiekredieten telkens gebonden aan de uitvoering van een bepaald project, en worden doorgaans projectgebonden mechanismen genoemd. De mechanismen geven enkel recht op emissiekredieten wanneer projecten voldoen aan een aantal duidelijke criteria. Een belangrijke randvoorwaarde zit vervat in het zogenaamde ‘supplementariteitsprincipe’. Dit houdt in dat de inzet van de Kyotomechanismen een aanvulling moet vormen op nationale maatregelen, die dus het leeuwendeel van de reductie-inspanning moeten uitmaken. Door de nadruk te leggen op interne maatregelen moeten de fundamenten worden gelegd voor technologische innovatie in eigen land. Naast het supplementariteitsprincipe zijn er nog andere voorwaarden verbonden aan het uitvoeren van projecten. Projecten moeten resulteren in reële en meetbare uitstootreducties die extra emissiereducties opleveren ten opzichte van de situatie die zich zou voordoen zonder het project (dit principe wordt ook wel ‘additionaliteit’ genoemd). Projecten onder het CDM-regime zijn bovendien te voorzien in die sectoren in ontwikkelingslanden waar broeikasgasreductieopties samenvallen met de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van het gastland gastland. EligibiliteitscriteriaHet Protocol van Kyoto en de Akkoorden van Marrakech voorzien in een reeks van eligibiliteitscriteria om gebruik te kunnen maken van de flexibiliteitsmechanismen, voornamelijk inzake inventarisatie van emissies en registratie van emissierechten. Tevens zijn een reeks voorwaarden aangenomen waaraan partijen moeten voldoen om deel te kunnen nemen aan deze instrumenten. Zo moeten deze projecten door de betrokken landen worden goedgekeurd. Hiertoe zorgen de betrokken Partijen voor de aanduiding van:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||