In juni 1992 vond de VN Conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling plaats in Rio de Janeiro, Brazilië. De beslissing van de Algemene vergadering van de VN in 1989 om zulke Conferentie te organiseren was sterk geïnspireerd door het Brundtland rapport. De Conferentie van Rio was een sleutelmoment voor een globaal beleid inzake het welzijn van de huidige en toekomstige generaties op economisch, ecologische en sociaal gebied. Ze is het referentiepunt voor de verwijzing naar 'Duurzame Ontwikkeling' en wordt algemeen beschouwd als een mijlpaal voor een mondiale respons op de globale milieuproblematiek.
De Conferentie van Rio bereikte overeenstemming over twee sleutelteksten: de Verklaring van Rio en Agenda 21. Met deze twee documenten, evenals met de aan de Top van Rio gerelateerde verdragen en verklaringen, meerbepaald het Kaderverdrag inzake Klimaatverandering, het Biodiversiteitsverdrag, het Verdrag inzake Verdroging en de Bossenverklaring, definieerden de toenmalige wereldleiders een duidelijke agenda voor duurzame ontwikkeling voor de komende 10 jaar. In de volgende paragrafen worden de destijds gemaakte afspraken en hun verdere ontwikkelingen op internationaal niveau, kort toegelicht.
De Verklaring van Rio
De Verklaring van Rio is een uitermate beknopte tekst die bestaat uit 27 Principes, de zogenaamde 'Rio Principes'. Een heel aantal van deze principes zijn toonaangevende bouwstenen geworden voor zowel internationale als nationale en lokale beleidsformulering rond leefmilieu en duurzame ontwikkeling. U kan een aantal invloedrijke Rio principes downloaden. Hun concrete toepassing in Belgische en Vlaamse beleidsdocumenten geldt mee als maatstaf voor hun relevantie.
Agenda 21
Agenda 21 is een zeer lijvig document, dat de karakteristieken heeft van een globaal actiegericht beleidsdocument voor duurzame ontwikkeling. Het document heeft een hoge autoriteit gezien het op intergouvernementeel niveau bij consensus werd overeengekomen.
Agenda 21 is opgedeeld in 4 secties. Elke sectie bestaat op zijn beurt uit verschillende hoofdstukken.:
(1) de sociale en economische dimensie
De hoofdstukken in deze sectie hebben betrekking op handel en leefmilieu, de bestrijding van armoede, het wijzigen van consumptiepatronen, demografische dynamiek, volksgezondheid, menselijke nederzettingen, het integreren van leefmilieu en ontwikkeling in de besluitvorming.
(2) het behoud en het beheer van hulpbronnen nodig voor ontwikkeling
Deze sectie bevat de volgende milieuthema's: atmosfeer, planning en beheer van land, bossen, fragiele ecosystemen (verwoestijning en droogte en berggebieden), duurzame landbouw en plattelandsontwikkeling, biodiversiteit, biotechnologie, oceanen en kustgebieden, water, chemische producten, gevaarlijk afval, afval, radioactief afval.
(3) het versterken van de rol van de belangrijke groepen
Deze sectie bevat hoofdstukken over de groepen die een bijzonder belang hebben in het nastreven van duurzame ontwikkeling. Het gaat dan om vrouwen, kinderen en jongeren, inheemse volken, niet-gouvernementele actoren, lokale overheden, arbeiders en vakbonden, zakenwereld en industrie, wetenschappelijke en technologische gemeenschap, en landbouwers.
(4) middelen voor implementatie
In elk hoofdstuk worden een aantal doelstellingen naar voor geschoven. Ter verwezenlijking van de doelstellingen worden actiegerichte engagementen overeengekomen, evenals de middelen noodzakelijk voor de implementatie van die acties. Kenmerkend voor Agenda 21 en de hierin geformuleerde doelstellingen en acties, is de intrinsieke vervlechting van de ecologische, economische en sociale dimensie. Het belang van de maatschappelijke participatie in het beleid wordt eveneens beklemtoond. Het geheel is tenslotte ingebed in een Noord-Zuid context, waarbij noodzaak tot additionele financiering, tot capaciteitsopbouw en de transfer van technologie een rode draad vormt.
Voor de opvolging van de uitvoering van Agenda 21 werd voorzien in de oprichting van de Commissie Duurzame Ontwikkeling (CSD). De CSD, die een functionele commissie van ECOSOC is, kreeg een drievoudige taak: (1) het verzekeren van een effectieve follow-up van de Rio Conferentie; (2) het verhogen van de internationale samenwerking en het verbeteren van de internationale besluitvorming; (3) het toezien op vooruitgang inzake de implementatie van Agenda 21 op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau. De Commissie Duurzame Ontwikkeling vergadert in principe jaarlijks in de periode april - mei en wordt telkenmale voorbereid door een intersessionele zitting.
Het Kaderverdrag inzake Klimaatverandering
Het klimaatverdrag, aangenomen op de Rio Conferentie in 1992, voorziet ondermeer in een regeling die de geïndustrialiseerde landen ertoe aanzet maatregelen nemen om voor 2000 de emissies van broeikasgassen te beheersen en te streven naar stabilisatie op termijn ten opzichte van het referentiejaar 1990.
Het Klimaatverdrag nam een aantal belangrijke beginselen op, zoals de toepassing van het voorzorgsbeginsel en het begrip duurzame ontwikkeling. Ook werd uitdrukkelijk aandacht besteed in het verdrag aan de gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden van alle landen volgens hun sociale en economische condities.
De zogenaamde Annex I landen (ontwikkelde landen) omvatten ongeveer 20% van de wereldbevolking, maar gebruiken ongeveer 80% van de natuurlijke rijkdommen van de wereld. Het verdrag stelt dan ook vast dat het grootste deel van de historische en de huidige emissies in de geïndustrialiseerde landen is ontstaan en nog steeds ontstaat. Daarom werd de overdracht van financiële en technologische middelen voorzien aan ontwikkelingslanden. Deze Annex I landen, beloven financiële steun naast en bovenop de al bestaande financiële bij stand.
In december 1997 werd het Kyoto-protocol bij het Klimaatverdrag ondertekend. Dit Protocol omvat het akkoord tussen de zogenaamde ‘Annex-I-landen’ zijnde de geïndustrialiseerde landen, om door middel van gedifferentieerde, wettelijk bindende engagementen hun broeikasgasemissies globaal met gemiddeld 5,2% te verminderen tussen 1990 en de periode 2008-2012.
In het "Buenos Aires Actieplan" van 1998 worden eerste lijnen uitgezet voor de verdere uitwerking van o.a. de mechanismen van het Kyoto Protocol. Na zeer moeizame onderhandelingen, gespreid over drie Conferenties van de Partijen werd tijdens COP 7 in september 2001 een finaal akkoord bereikt over de uitvoeringsmodaliteiten van het Protocol van Kyoto, met als belangrijkste onderdelen: de bepalingen inzake de flexibiteitsmechanismen, het nalevingsysteem, de ‘koolstofbuffers’ (‘sinks’) en de financieringsbepalingen voor ontwikkelingslanden.
Het Biodiversiteitsverdrag
Het biodiversiteitsverdrag, eveneens aangenomen op de Rio Conferentie in 1992, omvat een dubbele doelstelling: het behoud van de biologische diversiteit en het duurzaam gebruik van de bestanddelen ervan, enerzijds, en de bepalingen inzake het gebruik van genetische rijkdommen en biotechnologie. Het verdrag gaat in op een globale aanpak voor het natuurbehoud i.p.v. een sectorale en vormt een aanzet voor de integratie van het natuurbehoud in overige beleidssectoren en de doorstroming van financiële middelen naar ontwikkelingslanden ten behoeve van natuurbehoud. Tevens wordt erkend dat biodiversiteit een intrinsieke waarde heeft en dat het behoud ervan een gemeenschappelijke zorg voor de mensheid vormt (dat biodiversiteit een gemeenschappelijk erfgoed is werd echter niet weerhouden). Ook hanteert het verdrag als basis principes het voorzorgsbeginsel; beginselen van de voorkeur voor preventief handelen, voorkomen en brongerichte aanpak; en voorkeur voor in-situ behoud.
In januari 2000 werd het Protocol van Cartagena inzake Bioveiligheid aangenomen, onder artikel 19 van het Biodiversiteitsverdrag. Het Protocol bevat een mechanisme om bij grensoverschrijdende bewegingen van levende gewijzigde organismen (LGO's) voldoende bescherming te bieden tegen mogelijke negatieve effecten op het behoud en het duurzaam gebruik van biologische diversiteit en volksgezondheid of sociaal-economische aangelegenheden. Verschillende bepalingen van het Protocol beperken, vanuit leefmilieubekommernis, een aantal WHO regels inzake vrije wereldhandel, hetgeen voor een omwenteling zorgde in de benadering van multilaterale leefmilieuakkoorden. Het Protocol was tevens de eerste multilaterale leefmilieuovereenkomst die een operationele bepaling voor het voorzorgsprincipe bevat.
De Bossenverklaring
Tijdens de Rio-Conferentie nam het internationale bossendossier een prominente plaats in. Het beheer, de bescherming en de duurzame ontwikkeling van alle bossen werd er beschouwd als een essentieel onderdeel van het beleid inzake duurzame ontwikkeling. De uitkomst was tweevoudig: enerzijds werd hoofdstuk 11 opgenomen in Agenda 21, waarin de strijd tegen ontbossing wordt behandeld. Anderzijds werd de Bossenverklaring goedgekeurd. Dit is een niet-bindende, gezaghebbende verklaring die een mondiale consensus weerspiegelt over het beheer, het behoud en de duurzame ontwikkeling van alle soorten bossen. Het is een compromis in een mislukte poging om op de Conferentie van Rio een akkoord te bereiken voor een Bossenverdrag.
Na twee inter-gouvernementele processen, met name in het ‘Intergovernmental Panel on Forests’ (IPF) en het ‘Intergovernmental Forum on Forests’ (IFF), werd in 2000 een nieuw VN-orgaan opgericht, het United Nations Forum on Forests (UNFF). Dit heeft als belangrijkste taak de stand van zaken na te gaan van de uitvoering van de ruim 270 actievoorstellen van het IPF/IFF. Hiertoe werd een meerjarenwerkprogramma uitgewerkt en werd een algemeen actieplan aangenomen dat eerder principes voor implementatie en internationale samenwerking bevat dan echt operationele taken en doelstellingen.
Verdrag inzake de strijd tegen verdroging
De United Nations Convention to Combat Desertification (UNCCD) wordt gerekend bij de drie Rio-verdragen omdat de Algemene Vergadering van de VN op de Top van Rio werd gevraagd een intergouvernementeel onderhandelingscomité op te richten om een verdrag uit te werken om de verwoestijning te bestrijden in landen die met ernstige droogte of verwoestijning te kampen hebben, in het bijzonder in Afrika. Het Verdrag, goedgekeurd op 17 juni 1994, brengt de strijd tegen desertificatie in de bredere context van duurzame ontwikkeling met raakvlakken met klimaatverandering, biologische diversiteit, water als natuurlijke hulpbron, voedselzekerheid en socio-economische factoren. De kern van het verdrag is de ontwikkeling van nationale, subregionale en regionale actieprogramma’s (NAP, SRAP, RAP) door nationale regeringen in samenwerking met donors, lokale gemeenschappen en niet-gouvernementele organisaties. Het Verdrag herorganiseert de internationale hulp in een nieuwe partnerschap: financieringsprogramma’s moeten beter gecoördineerd worden, moeten gebaseerd worden op de noden van de landen, moeten de basis nauw betrekken.