Sla navigatie over
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information
  Thema's  
     
  Opvolging  
     
  Projecten  
     
  Publicaties  
     
U bent hier: www.lne.be Thema's Beleid MINA 4 Leeswijzer Thema's Water en waterbodems

Water en waterbodems

Internationaal/Europees beleid

De bescherming van het aquatisch milieu staat al sinds de jaren '70 op de internationale agenda en op de agenda van de Europese Unie. Aanvankelijk waren de Europese richtlijnen gericht op het beheer van specifieke vervuilingsbronnen (stedelijk afvalwater, mest, grote bedrijven) en op de bescherming van specifieke gebruiksfuncties (zwemwater, viswater drinkwater, schelpdieren).

Sinds 2000 heeft het Europese waterbeleid met de kaderrichtlijn Water (KRW) gekozen voor een meer integrale aanpak. De KRW biedt een kader voor de bescherming van het oppervlaktewater en grondwater. De richtlijn vraagt om het waterbeleid op het niveau van de stroomgebieden en in overleg met alle betrokkenen aan te pakken en om stroomgebiedbeheerplannen op te maken. Binnen dit kader moeten maatregelen genomen worden om de goede watertoestand te bereiken tegen eind 2015, met inachtneming van de mogelijke afwijkingen. Verder vraagt de KRW om rekening te houden met het beginsel van kostenterugwinning voor waterdiensten, gebaseerd op het principe „de vervuiler/gebruiker betaalt‟.
De Benelux-beschikking vismigratie werd in 2009 herzien. De timing voor het wegwerken van de knelpunten werd afgestemd op de KRW.

In 2007 kwam er met de overstromingsrichtlijn bijkomend een Europees kader voor de overstromingsproblematiek. Voor gebieden met risico op wateroverlast moeten overstromingskaarten en overstromingsrisicobeheerplannen opgesteld worden. Uitgangspunten van de richtlijn zijn internationale solidariteit, een aanpak op stroomgebiedniveau en preventie.
Verder werkt de Europese Commissie aan een herziening van de drinkwaterrichtlijn, een strategie rond waterschaarste en droogte op middellange en lange termijn en een beleid voor de adaptatie aan klimaatverandering.

 

Vlaams beleid

  • Schets lopend beleid

De KRW werd in Vlaanderen omgezet via het decreet Integraal Waterbeleid (DIW). Dit decreet en de uitvoering ervan vormen de basis van het Vlaamse waterbeleid. De centrale elementen zijn samenwerking en coördinatie via de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) en de bekken- en deelbekkenstructuren, de planning van het waterbeleid in stroomgebied- en (deel)bekkenbeheerplannen en een meer integrale aanpak op het terrein met instrumenten zoals de watertoets.

In uitvoering van de KRW en het DIW heeft de Vlaamse Regering de stroomgebiedbeheerplannen voor Schelde en Maas en het bijhorende maatregelenprogramma vastgesteld op 8 oktober 2010. De looptijd van deze plannen komt nagenoeg overeen met de regeerperiode. Uit de stroomgebiedbeheerplannen blijkt dat 7 van de 202 Vlaamse oppervlaktewaterlichamen en 7 van de 42 grondwaterlichamen de goede toestand tegen eind 2015 zullen halen. Voor de andere waterlichamen (zowel oppervlaktewater als grondwater) werd termijnverlenging ingeroepen. De goede toestand kan daar ten vroegste in 2021 bereikt worden. Redenen hiervoor zijn de aanhoudende druk van eutrofiërende stoffen, de historische verontreiniging in de waterbodem, de veelal beperkte ruimte voor waterlopen, de aantasting van hun natuurlijke structuurkwaliteit en de impact van het waterkwantiteitsbeheer. Grondwatersystemen hebben van nature trage hersteleigenschappen.

Om tegen 2020 in de meeste Vlaamse waterlopen wel een goede toestand te kunnen bereiken, zoals het Pact 2020 bepaalt, zullen bijkomende maatregelen geformuleerd moeten worden in de volgende generatie bekken- en stroomgebiedbeheerplannen.

Verder wordt de laatste hand gelegd aan de (versnelde) uitvoering van derichtlijn stedelijk afvalwater. In functie van het behalen van de goede watertoestand ligt de nadruk op de optimalisatie van de bestaande saneringsinfrastructuur. In het buitengebied gebeurt dit via de realisatie van de beleidsvisie, zoals vastgelegd in de zoneringsplannen. In het centrale gebied via afkoppelingsprojecten.
In het kader van de uitvoering van de nieuwe zwemwaterrichtlijn wordt jaarlijks de lijst van de zwemwaters vastgelegd en is gestart met de opmaak van de zwemwaterprofielen.

De schade door overstromingen wordt maximaal voorkomen en beperkt via brongerichte en natuurlijke oplossingen. Het concept „vasthouden, bergen en afvoeren‟ vormt de hoeksteen van de aanpak. Er zijn een aantal inrichtingsprojecten langs waterlopen opgestart om bijkomende berging te creëren. Deze projecten pakken wateroverlast en watertekort in samenhang aan en hebben tegelijk aandacht voor de andere functies en voor het ecologische herstel van het gebied. Aanvullend op deze aanpak zijn hydraulische modellen en overstromingsvoorspellers uitgebouwd. Tenslotte zijn extra inspanningen geleverd voor het ruimen van onbevaarbare waterlopen.
 

  • Aandachtspunten voor de komende planperiode

Om tot een goede watertoestand te komen en de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten, worden de aanvullende maatregelen uit de Stroomgebiedbeheerplannen gebiedsgericht ingevuld in een aantal prioritaire gebieden, de zogenaamde speerpuntgebieden.

Vlaanderen investeert verder in de optimalisatie en renovatie van debovengemeentelijke en gemeentelijke saneringsinfrastructuur. Voor iedere gemeente wordt een gebiedsdekkend uitvoeringsplan (GUP) opgesteld, dat voor elk project van het zoneringsplan de verantwoordelijke uitvoerder en de realisatiedatum vastlegt (met als deadlines 2015, 2021 en 2027). Dit is een prioriteit voor de Vlaamse overheid. Voor het versneld uitvoeren van de hiervoor noodzakelijke bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur zullen onder meer de middelen van het „Lokaal pact‟ aangewend worden. De inzameling van de vuilvracht van het buitengebied is een taak voor de gemeenten. Zij kunnen hiervoor ondersteuning krijgen via het subsidiebesluit. Dat besluit zal worden herzien in overleg met alle betrokkenen, waaronder zeker de gemeenten. In samenhang hiermee zal bekeken worden in welke mate de doorlooptijden van de projecten beperkt kunnen worden.

Het ecologisch toezicht op het beheer van de bovengemeentelijke en gemeentelijke waterzuiveringsinfrastructuur wordt versterkt via de verdere uitbouw van het ecologisch indicatorenkader. In deze indicatorenkaders worden de prestaties van saneringsplichtige afgewogen tegen vooropgestelde criteria. Onder meer het beschikken over een preventief onderhouds- en controleprogramma maakt hiervan deel uit.

De KRW en het DIW stellen dat tegen 2010 een waterprijsbeleid moet worden uitgewerkt dat gericht is op een redelijke bijdrage in de terugwinning van de kosten van de waterdiensten per doelgroep. Gelet op de omvangrijke uitgaven in de afvalwatersanering zijn een uitgeschreven visie op de financiering van het gemeentelijk rioolbeheer (zowel voor de uitbreiding, het nodige onderzoek, de renovatie, als vervangingsinvesteringen voor de optimalisatie van het stelsel) en een transparante kostentoerekening essentieel. In 2010 werd een model uitgewerkt om de financieringsnood in kaart te brengen voor de gemeentelijke saneringsinfrastructuur en conform de GUP‟s. Dit model werd verspreid bij de gemeenten en via de website. Deze informatie zal geactualiseerd worden parallel met de opmaak van de GUP‟s.

De bewaking van de kostentoerekening gebeurt onder meer via benchmarking en een rapporteringsinstrument. Een duidelijke scheiding van de commerciële en niet-commerciële activiteiten van de NV Aquafin is een absolute vereiste. De beheerovereenkomst met de NV Aquafin moet een controleerbare resultaatsverbintenis worden.

De scheiding van het afvalwater en het hemelwater op huisniveau en de verdere correcte aansluiting van het afvalwater op de riolering zijn sleutelfactoren in de werking en bij de (her)aanleg van riolering. Hiervoor worden de gewestelijke stedenbouwkundige verordening en de code van goede praktijk voor rioleringssystemen doorgelicht en aangepast en worden verplichtingen (ook m.b.t. handhaving) voorzien in het waterverkoopreglement. Passende informatiecampagnes moeten dit ondersteunen. Ook het onderhoud van rioleringen krijgt grotere aandacht in de code.

Om verdunning door bemalingswater te verminderen, wordt vanaf 2011 een heffing gevorderd op bemalingswater, geloosd op de riolering (met vrijstelling voor kleine lozingen en ééngezinswoningen). Bedoeling is om ontradend te werken zodat men het bemalingswater in eerste instantie opnieuw gaat infiltreren of lozen op een gracht.

Ook de bedrijven zullen verder inspanningen moeten leveren. Het regulerend karakter van de heffing voor de oppervlaktewaterlozers wordt versterkt om passende prikkels richting waterzuinige productiesystemen en waterzuivering in te bouwen. De invoering van een wateraudit kan daarbij, zeker in probleemgebieden, een belangrijk hulpmiddel vormen. De emissiebeperking van zware metalen en organische polluenten wordt onder meer gerealiseerd met een gericht vergunningenbeleid. Ook het hemelwatergebruik door bedrijven blijft een aandachtspunt. Dit wordt gecombineerd met innovatie en toepassing van de beste beschikbare reductietechnieken en –strategieën.

Naast de investeringen in waterzuiveringsinfrastructuur zijn structuurherstel van de waterlopen (vismigratie, structuurherstel, natuurtechnische milieubouw, ...) en een evenwichtig waterbeheer essentieel voor de verbetering van de watertoestand. Er wordt prioriteit gegeven aan structuurmaatregelen in speciale beschermingszones en speerpuntgebieden zodat een verbetering van de ecologische kwaliteit van de waterlopen bijdraagt aan de bescherming en het herstel van de natuur in deze gebieden. Voor vismigratie worden de knelpunten op de prioritaire waterlopen eerst aangepakt. Ter bescherming van de ecologische kwaliteit (en de biodiversiteit) wordt ook werk gemaakt van de bestrijding van invasieve diersoorten, zoals bv. de brulkikker.

Het opnieuw zichtbaar maken van water in de bebouwde omgeving versterkt de belevingswaarde van water en draagt bij tot een hogere waardering voor water. Open water in de stad is ook van betekenis als ecologische verbinding tussen de stad en de omliggende gebieden. De samenwerking met de sectoren recreatie en toerisme wordt verzekerd.
Het beheer van de waterlopen wordt onderbouwd via onderhoudsplannen en scenarioberekeningen.

Een intensieve bestrijding van invasieve waterplanten moet het aantal woekerhaarden drastisch doen afnemen. Voor de belangrijkste soorten wordt een beheerregeling in uitvoering van het soortenbesluit opgemaakt die de verkoop van deze waterplanten in tuincentra zal verbieden.

Ook voor de slibproblematiek geniet een preventieve aanpak de voorkeur. Investeringen in erosiebestrijding zijn nodig om dure slibruimingen te voorkomen, aangevuld met de aanleg van sedimentvangen. Daarnaast wordt een aantal historisch ernstig verontreinigde waterbodems prioritair gesaneerd.

Om wateroverlast uit de rivieren aan te pakken blijven gemodelleerde scenario‟s de basis voor toekomstige maatregelenprogramma‟s. Deze programma‟s zijn ook gestoeld op een onderbouwde kosten-batenanalyse. Het vastleggen van veiligheidsniveaus en de afstemming met de ruimtelijke ordening zijn hierbij cruciaal. De waarschuwings- en voorspellingssystemen voor overstromingen worden verder uitgebouwd en afgestemd met bestaande instrumenten en verantwoordelijkheden voor crisiscommunicatie en noodinterventie. Intelligente sturingssystemen die de vul- en leeglooptijdstippen van wachtbekkens regelen op basis van voorspelde neerslaghoeveelheden dienen bij te dragen tot een meer efficiënte benutting van de al genomen inspanningen.

In uitvoering van de decreten Milieuhandhaving en Milieuschade is een adequate detectie en –afhandeling bij incidentele waterverontreiniging belangrijk. Zowel het uitwerken van een optimale permanentie- en interventieregeling, de uitbouw van dynamische waterkwaliteitsmodellen, als de ontwikkeling van een continu meldingssysteem via automatische meetposten kunnen hier een bijdrage leveren.
Watertekort in oppervlaktewater (vooral in de zomermaanden) dan wel grondwater vormt nu al een probleem. Om er zorg voor te dragen dat de draagkracht van het watersysteem en van de daarvan afhankelijke ecosystemen (o.a. natuurgebieden) niet overschreden wordt, gaat bijzondere aandacht naar de afstemming van de waterbehoefte en het wateraanbod. Op basis van verder onderzoek en modellering zullen de beschikbare volumes aan grondwater en oppervlaktewater ingeschat worden, mede in het licht van klimaatverandering en de adaptatie hieraan. Voor de watervoerende lagen worden herstelprogramma‟s opgesteld. Naast een verfijnd heffingen- en vergunningenbeleid wordt ingezet op wateraudits, de aanmoediging van waterefficiënte productiesystemen en op sensibilisatie.

Daarnaast vormen de mogelijke gevolgen van koudewarmte-opslag een nieuwe problematiek. Dit vereist een beleidsmatige aanpak, met inbegrip van eventuele noodzakelijke wetgevende initiatieven.
Voor de drinkwatervoorziening zijn veilig en gezond drinkwater met hoge leveringszekerheid, een goede dienstverlening en een transparant prijzenbeleid de uitgangspunten. De overheid zal werk maken van de invulling van de controle- en toezichtopdrachten op de waterdistributie (drinkwatermaatschappijen en private waterwinners) en het verder uitbouwen van de reguleringsinstantie voor water bestemd voor menselijke aanwending. In de strategische visie Watervoorziening en watergebruik (2009) wordt reeds aangegeven hoe de (kwantitatieve) waterbevoorrading zal gegarandeerd worden. De Water Safety Plans zullen de kwaliteitsrisico‟s op een structurele manier in kaart brengen en de nodige acties formuleren. Een risicobenadering van bron tot kraan vormt het uitgangspunt. Het algemeen waterverkoopreglement moet een uniform kader bieden voor de belangrijkste rechten en plichten van de drinkwatermaatschappijen en hun klanten.

Tot slot is het belangrijk om alle maatschappelijke groepen te blijven informeren en aan te zetten tot duurzaam en rationeel gedrag t.a.v. water: gebruik hemelwater, scheiding afvalwater, gebruik van pesticiden en wasproducten, … Belangrijk is hierbij ook de voorbeeldfunctie van de overheid , bijvoorbeeld in het kader van het toepassen van de pesticidentoets voor openbare domeinen.

Om de effectiviteit en efficiëntie van het waterbeleid te verbeteren, worden de overlegstructuren en het planningsproces met de bijhorende procedures voor het integraal waterbeleid geëvalueerd. Er zal ook worden ingegaan op andere aanbevelingen uit het openbaar onderzoek rond de Stroomgebiedbeheerplannen die op zichzelf geen aanpassingen van de plannen tot gevolg hadden; zo is er de vraag naar een hogere betrokkenheid van het middenveld en wordt gewerkt aan o.a. een duidelijk kader voor de doorvertaling van de maatregelen uit het stroomgebiedbeheerplan in een gebiedsgerichte en concrete actie per waterlichaam en de aanduiding van de waterlichamen.

De verschillende wetgevingen voor het beheer en onderhoud van waterlopen, waaronder de wet op de onbevaarbare waterlopen, de wetgeving op polders en wateringen, het decreet Integraal Waterbeleid en het decreet Natuurbehoud, worden gescreend op onduidelijkheden/onvolkomenheden en geactualiseerd. Ook komt er een sluitende regeling voor kano- en kajakvaart op onbevaarbare waterlopen.
De overstromingsrisicobeheerplannen worden in de volgende stroomgebiedbeheerplannen geïntegreerd. De waterbeheerders zullen in de planning rekening moeten houden met de gevolgen van klimaatverandering op o.m. overstromingen en de laagwaterproblematiek. Omdat de veranderingen onzeker zijn, is het belangrijk dat de maatregelen voldoende flexibel zijn en bijgestuurd kunnen worden naargelang de waargenomen veranderingen.

De werkbaarheid en de effectiviteit van de watertoets, een sleutelinstrument in de preventieve aanpak van de wateroverlast, worden geëvalueerd en het instrument wordt verbeterd en waar mogelijk vereenvoudigd.

In samenwerking met de Vlaamse water- en onderzoeksector wordt een watersysteemkenniscentrum opgericht.

adaptatie.png