Sla navigatie over
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information
  Thema's  
     
  Opvolging  
     
  Projecten  
     
  Publicaties  
     
U bent hier: www.lne.be Thema's Beleid MINA 4 Leeswijzer Thema's Duurzame productie en consumptie

Duurzame productie en consumptie

Internationaal/Europees beleid

Sinds duurzame productie en consumptie (DPC) op de wereldtop voor duurzame ontwikkeling in Johannesburg (2002) naar voor werd geschoven, is het belang ervan in het milieubeleid enorm toegenomen. In een „Plan of implementation‟ riep de wereldtop landen op een tienjarig beleidskader voor DPC te ontwikkelen.

DPC is één van de belangrijkste uitdagingen van de nieuwe strategie duurzame ontwikkeling (2006) van de EU. Dit vormde de aanleiding tot de lancering van het actieplan DPC (2008) van de Europese Commissie. De kern van dit plan is een nieuw, dynamisch productbeleid dat moet leiden tot energie- en milieuvriendelijkere producten, diensten en technologieën. Het omvat een mix van minimumnormen en stimulerende maatregelen, een streven naar betere integratie van bestaande instrumenten, met versterking waar nodig.

Verder kan op Europees vlak verwezen worden naar de thematische strategie voor het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de thematische strategie voor afvalpreventie en –recycling, het actieplan voor milieutechnologie (ETAP) en de richtlijn m.b.t. ecodesign van producten die energie verbruiken. Op Europees niveau werden de thema‟s waar men zich prioritair op wil richten (wonen, verkeer en voeding) evenals mogelijke maatregelen nader bepaald via het EIPRO/IMPRO-onderzoek (environmental impact/ improvement of products). Voeding en het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen staan centraal in het aanpassingsproces van het EU-gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB na 2013). Internationaal (UNEP, OESO) zouden globale sectorale akkoorden, codes van goede praktijk en energie-efficiëntie een sterke sturing kunnen hebben.

 

Vlaams beleid

  • Schets lopend beleid

Op Vlaams niveau is er een strategie duurzame ontwikkeling (VSDO) met onder meer „Duurzame productie en consumptie‟ en „Duurzaam wonen en bouwen‟ als projecten. Duurzaam lokaal beleid wordt ook gestimuleerd via de samenwerkingsovereenkomst. De transitieprojecten „duurzaam materialenbeheer‟ en „duurzaam wonen en bouwen‟ sturen aan op een structurele verandering.

Via „interne milieuzorg‟ geeft de Vlaamse overheid richtlijnen voor haar eigen besturen om het goede voorbeeld te geven, bijvoorbeeld via groene overheidsaankopen. Daarnaast worden via de milieukoopwijzer (een aankoopgids voor milieuverantwoorde producten), producttest.be, het Eco-efficiëntiescanprogramma en eco-design (integratie van milieuaspecten in de ontwikkelingsfase van producten) enkele instrumenten door de Vlaamse overheid ter beschikking gesteld aan verschillende doelgroepen.

Uitgebreid onderzoek van de laatste tien jaar toont aan dat het bevorderen van DPC een actieve samenwerking vereist tussen producenten, consumenten, distributie en overheid. Het consumptieknooppunt (consumption junction) geniet daarbij bijzondere aandacht. In dit kader werd het „Maatschappelijk Forum Milieuverantwoorde Consumptie‟ opgericht, waarin alle betrokkenen vertegenwoordigd zijn en waarbinnen de eerste proefprojecten zijn gestart.

Een aantal instrumenten bevindt zich op het federale niveau: het Federaal Plan Producten, het ecolabel, de milieutaks, ... Optimale wisselwerking is een must voor een degelijk vormgegeven en uitgevoerd DPC-beleid.
 

  • Aandachtspunten voor de komende planperiode

Een milieuverantwoorde productie en consumptie wordt verder vorm gegeven vertrekkende van Europese initiatieven, zoals het actieplan DPC en de thematische strategie voor het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Het kadert binnen een bredere, beleidsdomeinoverschrijdende aanpak, gericht op een duurzame productie en consumptie, zoals ook opgenomen in de Vlaamse strategie voor duurzame ontwikkeling.

Een milieuverantwoorde productie en consumptie staat ook centraal bij het tot stand brengen van een groene economie. Hierbij wordt ook de milieu-impact (winning, productie, transport) van ingevoerde producten beperkt alsook die van het gebruik van uitgevoerde producten.

Door eco-innovatie te stimuleren krijgen (Vlaamse) bedrijven de kans om gelijktijdig hun concurrentievermogen te verbeteren, hun eco-efficiëntie te verhogen en hun milieu-impact te verkleinen. Hierbij wordt gemikt op alle innovaties die streven naar op een lagere milieu-impact zowel door milieutechnologische innovaties, organisatorische innovaties (bv samenwerken voor ketenbeheer, EMAS, ISO 14001,…), nieuwe producten of diensten als door systeeminnovaties.

Binnen de prioritaire systemen is de transitiearena „Plan C‟ in Vlaanderen een belangrijke voedingsbodem om de omslag naar duurzaam materialenbeleid concreet vorm te geven. Het hertekenen van bestaande materiaalkringlopen dient uiteindelijk te resulteren in een nieuwe generatie aan materialen, producten en diensten met een minimale milieu-impact.Deze transitie veronderstelt een complexe mix van gerelateerde ontwikkelingen in milieu, economie en technologie. Plan C zet hierbinnen transitie-experimenten op om aan te tonen dat systeeminnovatie werkt in de praktijk. Ook binnen het transitieproject „Duurzaam wonen en bouwen (DuWoBo)‟ worden innovatieve experimenten opgestart in samenwerking met Plan C. Beide transitiearena‟s worden structureel ondersteund. Daarnaast wordt ook meewerkt aan nieuw op te starten transities. Voor wat betreft technologische innovaties worden de vooropgestelde prioriteiten onder meer vanuit het beleidsdomein EWI, mee uitgewerkt of waar mogelijk ondersteund.

De Vlaamse overheid neemt zijn rol op om te komen tot een ketenbeheeraanpak (zoals „cradle to cradle‟). Hierbij wordt gestart met een aantal pilootprojecten, waarbij de overheid faciliteert. Deze werkwijze biedt ruimschoots kansen voor innovatie en economische ontwikkeling.

Om ecodesign, eco-innovatie op productniveau, nog meer ingang te doen vinden aan de bron, wordt het instrument verankerd in relevante onderwijspakketten. De sensibilisering van de professionele designer krijgt verder vorm via o.m. de samenwerking met Design Vlaanderen en de ontwikkeling en verspreiding van instrumenten (bv. Ecolizer, Ecodesign-award, …).

Bedrijven worden aangespoord om efficiënter om te springen met grondstoffen, materialen en energie. Op korte termijn staat de eco-efficiëntiescan hierbij centraal. Het gebruik ervan wordt verder opgeschaald, na bijsturing van het instrument op basis van de uitgevoerde evaluatie. In samenwerking met andere overheidspartners en het bedrijfsleven wordt ook een meer intense begeleiding van de gescande bedrijven gestart, opdat deze overgaan tot investeringen ter verhoging van de eco-efficiëntie. Indien de stimulering via de eco-efficiëntiescan onvoldoende blijkt, wordt nagegaan in welke mate nieuwe of bestaande instrumenten zoals de milieuvergunning, convenanten, fiscale instrumenten, subsidiëringskanalen, … geheroriënteerd kunnen worden zodat ze geschikt zijn om bedrijven aan te zetten tot een meer eco-efficiënte productie. Met name een gerichte inzet van de ecologiepremie en het Groen Investeringsfonds bieden perspectief.

De Vlaamse overheid levert inspanningen om een meer milieuverantwoorde consumptie te bewerkstellingen. Het aanbod (en de verkoop) van deze producten en diensten moet stijgen. De overheid zelf is met haar aankopen verantwoordelijk voor zo‟n 13% van het BNP. De Vlaamse overheid zal haar voorbeeldfunctie actief opnemen in haar aanbestedingsbeleid.

DPC staat centraal in het oppervlaktedelfstoffenbeleid met een accent op gesloten materiaalkringlopen en secundaire grondstoffen, nieuwe ontginningen die zich vooral richten op de binnenlandse markt, etc.
Bijzondere aandacht gaat bovendien naar een duurzaam watergebruik. Dit kan worden gerealiseerd door minder water te gebruiken, door water opnieuw te gebruiken of door alternatieve waterbronnen te zoeken en aan te bieden (zie ook „Water‟).

Om in de periode 2008-2016 een energiebesparing te verzekeren van 9% tegenover het gemiddelde energiegebruik van 2001-2005, zal in 2011 het tweede actieplan Energie-efficiëntie 2011-2016 worden opgemaakt. Hierin worden per sector reductiemaatregelen opgelijst om de beoogde energiebesparingsstreefwaarde te behalen.
Meer concreet zal, om het energieverbruik van woningen te verminderen, tegen eind 2014 het traject naar bijna-energieneutrale woningen definitief in de Vlaamse energieprestatieregelgeving worden vastgelegd. Tevens zal een actieplan opgesteld worden om het aandeel lage-energiewoningen substantieel te verhogen. In uitvoering van het ambitieuze doel van het Energierenovatieprogramma zullen tegen 2020 alle woningen in Vlaanderen worden voorzien van een degelijke dakisolatie, ramen met hoogrendementsbeglazing en een centrale verwarmingsketel met een hoog rendement. Eind 2014 moet de doelstelling voor 50% zijn ingevuld en zal het langetermijnactieplan met de omkaderende acties voor de volledige realisatie van de doelstelling zijn uitgewerkt.

Vlaanderen steunt onderzoek naar windenergie, zonne-energie en gebruik van biomassa om de toepassing ervan te versnellen en onderbouwen. De komende jaren wordt gewerkt aan een actieplan op Vlaams niveau om het aandeel van milieuverantwoorde hernieuwbare energiebronnen te laten toenemen. Hiertoe zal een beleid worden uitgebouwd ter bevordering van groene warmte en zal een minimaal aandeel hernieuwbare energie worden opgelegd in gebouwen. Het stabiel en vooruitstrevend groenestroombeleid zal worden verder gezet, de inzet van hernieuwbare energie in de transportsector wordt gestimuleerd en de beschikbaarheid van duurzame biomassa zal worden verzekerd. Hierbij aansluitend zullen initiatieven genomen worden om de net- en meetinfrastructuur te verbeteren om de inpassing van decentrale productie-eenheden beter mogelijk te maken.

Voor het terugdringen van de ecologische voetafdruk moet vooral gemikt worden op voeding, huisvesting en mobiliteit, samen goed voor 65%.
Een bijdrage wordt geleverd aan de omschakeling naar meer duurzame productie en consumptieprocessen in de landbouw en het voedingssysteem. Hierbij wordt in eerste instantie ingespeeld op opportuniteiten en uitdagingen die het Europees beleid biedt (bv. klimaatadaptatie, doelstellingen klimaat en biodiversiteit, …). Vlaanderen werkt onder meer mee aan een duurzame hervorming van het Europees landbouwbeleid.

Er wordt een geïntegreerde aanpak voorzien met aandacht voor bodem (organische stof, verdichting, erosie, versnippering, biodiversiteit, bestrijdingsmiddelen, fosfaataanrijking, nitraatresidu‟s en verzuring, …), water (nitraat, fosfaat, bestrijdingsmiddelen, …), lucht (ammoniakverliezen, fijn stof, …), natuur (instandhouding van soorten en habitats, natuurwaarden, …) en het vrijwaren of creëren van ecosysteemdiensten ten behoeve van de maatschappij (groene infrastructuur, waterbeheersing, anti-erosiemaatregelen, bestuiving ...).

M.b.t. het voedingssysteem wordt gemikt op de toelevering, de primaire productie (landbouw), de verwerkende sector (voedingsnijverheid), de distributiesector en de consument. Er wordt meegewerkt aan een mogelijk op te starten transitieaanpak in het kader van de VSDO. De relatie met andere systemen wordt gelegd omdat de landbouwsector ook instaat voor de productie van industriële materialen (vlas, katoen, …) en brandstoffen. Een evenwicht met de voedselproductie en een toekomstige voedselzekerheid dient te worden nagestreefd.

Centraal staat een verbeterde doorwerking van de bestaande instrumenten, initiatieven en samenwerking onder meer tussen de beleidsdomeinen LV, EWI en LNE. Hiertoe worden initiatieven genomen om voorbeeldpraktijken en (eco-)innovaties te ontwikkelen doorheen het voedingssysteem. Hierbij kunnen vernieuwende partnerschappen worden opgezet tussen overheid en federaties, landbouwers en consumenten.

Concreet wordt eraan gedacht om landbouwers verder te stimuleren om milieukundige randvoorwaarden, in aanvulling op deze bepaald in de regelgeving, mee te nemen bij beslissingen in de bedrijfsvoering (teeltkeuze, bodembewerking, bemesting, …). Dit kan bv. door het toepassen van een „code van goede landbouwpraktijken‟. Aanvullend aan de randvoorwaarden moeten prioriteiten worden gesteld welke ecosysteemdiensten cruciaal zijn en hoe de landbouwsector hieraan mee invulling kan geven binnen pijler twee van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Andere voorbeelden van initiatieven zijn: het strategisch plan „Biologische Landbouw‟, het invoeren van de principes van „integrated pestmanagement‟, onderzoek naar de haalbaarheid van een CO2-, water- en afvalneutrale voedingsnijverheid, de uitvoering van een ketenproject voedselverspilling, de promotie van een duurzaam consumptiepatroon door het VLAM, de bepaling van de CO2-voetafdruk in de Vlaamse veehouderij en de voorgestelde actieplannen, projecten en initiatieven in het kader van de Staten-Generaal voor de Industrie.

Voor huisvesting en mobiliteit wordt aansluiting gezocht met de ViA-acties in het kader van het „Groen Stedengewest‟. Onder meer met betrekking op huisvesting zet de Vlaamse overheid in op het onderzoeken en operationaliseren van intelligente energienetwerken op wijkniveau (of ruimer), het sluiten van materiaalkringlopen in de bouwsector en het uitvoeren van voorbeeldprojecten rond duurzame en energiezuinige wijken. De transitieprojecten DuWoBo en Plan C staan hierbij centraal. Voor mobiliteit wordt een meer milieuvriendelijke mobiliteit bewerkstelligd. In het kader daarvan voert de Vlaamse overheid ook een globale communicatiestrategie rond verkeer en milieu zodat de burger beter geïnformeerd is en gestimuleerd wordt om zijn aankoop- en rijgedrag aan te passen.