|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Afval – en materialenbeleid
Internationaal/Europees beleidTwee Europese thematische strategieën zetten de krachtlijnen uit voor het toekomstige afval- en materialenbeleid in Europa. De thematische strategie voor afvalpreventie en –recycling hanteert als centrale doelstelling dat de milieu-impact van grondstoffengebruik moet verminderen d.m.v. afvalpreventie, meer recyclage en nuttige toepassing. De afvalbehandelingshiërarchie blijft het uitgangspunt van het Europese afvalstoffenbeleid. Een groot deel van de principes van de strategie is omgezet in de nieuwe kaderrichtlijn Afvalstoffen die in juni 2008 werd goedgekeurd. De thematische strategie voor duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen formuleert als algemene doelstelling dat de milieu-impact van hulpbronnengebruik in een groeiende economie moet verminderen. Om deze milieudruk te doen afnemen moeten we evolueren van een end-of-the-pipe-aanpak naar een geïntegreerde aanpak en duurzame productie- en consumptiepatronen ontwikkelen. In juli 2008 volgde het voorstel van de Europese Commissie voor een actieplan duurzame productie en consumptie. Naast dit kader ontwikkelde Europa richtlijnen om de verwerking van een aantal afvalstoffen (verpakkingsafval, batterijen, voertuigwrakken, elektrische en elektronische apparaten, mijnbouwafval en scheepsafval) te reglementeren en recyclagedoelstellingen op te leggen. Een verordening is van kracht i.v.m. gezondheidsvoorschriften voor niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en i.v.m. de in-, uit- en doorvoer van afvalstoffen.
Vlaams beleid
Het afvalstoffenbeleid evolueerde de afgelopen 25 jaar van een lokaal georganiseerd en ongecoördineerd afvalverwijderingssysteem tot het huidige afvalbeheersysteem en een geprofessionaliseerde afvalsector. Er is een goed gestructureerd regelgevend kader voor preventie, hergebruik, recyclage en eindverwerking van afvalstoffen. Het is opgebouwd uit een gediversifieerde mix van instrumenten die elkaar versterken en algemeen of stroomspecifiek worden ingezet. Het Afvalstoffendecreet vormt de wettelijke basis met als voornaamste uitvoeringsbesluit het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer (VLAREA). Aanvullend is voor een aantal afvalstromen een meer gedetailleerde planning uitgetekend via sectorale uitvoeringsplannen (SUP). Financiële instrumenten zijn een grote stimulans om de beleidsdoelstellingen te realiseren. Zo vormt de doorgevoerde wijziging en vereenvoudiging op de heffingen voor storten en verbranden een belangrijke bijsturing van het lopende beleid. In het kader van het subsidiebesluit worden duurzame initiatieven financieel ondersteund. Daarnaast kunnen lokale overheden ook intekenen op de herziene samenwerkingsovereenkomst. Voor de invulling van de aanvaardingsplicht opteerden de meeste bedrijfssectoren tot nu toe voor een milieubeleidsovereenkomst (MBO). De voorbije jaren is de klemtoon in het beleid geleidelijk verschoven van eindverwerking naar recyclage en het stimuleren van preventie. Er zijn grote inspanningen geleverd om afvalpreventie bij bedrijven te bevorderen of, ruimer, een eco-efficiënte bedrijfsvoering te stimuleren. De overheid hanteerde hierbij preventiestimulerende programma‟s (Presti), informatieverlening en sensibilisering, de eco-efficiëntiescan en breidde haar ecodesignwerking gevoelig uit. Deze instrumenten vormen een eerste opstap naar een vergaande oplossing van het afvalvraagstuk. Hierbij is het noodzakelijk om een integrale kijk op de materiaalketen te ontwikkelen („cradle to cradle‟). Vanuit de ervaringen met het huidige afvalbeleid zijn de eerste stappen al gezet in het proces van verruiming naar een duurzaam afval- en materialenbeleid.
Het gebruik van afvalstoffen als waardevolle grondstoffen voor onze economie is een speerpunt voor deze verruiming van het afvalbeleid naar een duurzaam materialenbeleid en het uitbouwen van een groene economie. Afvalstoffen moeten nog meer terug in de economische kringloop gebracht worden. Hierbij wordt een eco-efficiënte productie en een milieuverantwoorde consumptie maximaal gestimuleerd (zie thema DPC). Een maximale vermindering van de milieu-impact kan alleen worden bekomen via een doorgedreven systeeminnovatie waarbij de integrale materiaalketen centraal staat. Dit vereist facilitering en een innovatiestimulerend kader (zie thema DPC). Voor de verruiming naar een materialenbeleid focust het „klassieke‟ afvalbeleid zich bovendien op twee krachtlijnen. Ook de omzetting van de nieuwe kaderrichtlijn Afvalstoffen wordt als opportuniteit aangegrepen voor het verder vorm geven aan de verruiming naar materialenbeleid. Zo komt er onder meer één eenvoudig te hanteren afwegingskader voor het onderscheid tussen afvalstoffen en producten. Daarnaast worden de mogelijkheden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderzocht (nieuwe instrumenten, afgifteplicht, 100% verantwoordelijkheid, …). Een tweede krachtlijn is het maximaal sturen van niet te vermijden lekstromen naar de meest performante verwerkingsmethode. Meer concreet gaat het om lekstromen die overblijven na maximale toepassing van recyclage en nuttige toepassing. Voor de brandbare restfracties is verbranding met optimaal energierendement en minimale milieu-impact de na te streven verwerking. Het stortverbod voor brandbare afvalstoffen op categorie 1- en 2-stortplaatsen wordt strikt toegepast in functie van de beschikbare verbrandingscapaciteit, gekoppeld aan een moratorium voor bijkomende stortcapaciteit voor die stortplaatsen. De exploitatie van een beperkt aantal stortplaatsen blijft echter noodzakelijk als vangnet voor het storten van niet-brandbaar afval waarvoor geen recyclage mogelijk is, en voor calamiteiten. Het heffingenbeleid blijft in eerste instantie gericht op het verder afbouwen van het storten van brandbaar afval. Het wordt ook ingezet om energievalorisatie te beperken tot die afvalstoffen die niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage en voor de stimulering van een gescheiden inzameling en recyclage van afvalstoffen waarvoor recyclage de beste milieuoptie is. De overheidsinkomsten t.g.v. de heffingen op het storten van afvalstoffen nemen echter af door het succes van het beleid. Onderzoek wordt voorzien naar de impact hiervan en hoe dit te ondervangen is. De heffingen worden na evaluatie gericht op een optimaal sturend karakter ervan, in relatie tot de andere beleidsinstrumenten. Er wordt nagegaan welke bestemmingen het meest geschikt zijn voor de verschillende types biomassa(-afval). Tegen eind 2012 wordt de biomassa-inventaris omgevormd zodat hij toelaat om op basis van kostenbaten-analyse de materiaalkringloop „biomassa inclusief hout‟ te optimaliseren. Aandacht gaat hierbij naar hun potentieel als energieleverancier, grondstof en/of als bodemverbeterend middel, het verbeteren of in stand houden van de bodemkwaliteit en als bijdrage aan de klimaatdoelstellingen. Zo wordt er in EU-verband meegewerkt aan een set van duurzaamheidscriteria voor het gebruik van biomassa bij energieproductie. Ook wordt onderzocht hoe bijkomend potentieel gerealiseerd kan worden bv. via duurzaam berm- en landschapsbeheer binnen de Vlaamse overheid, via proefprojecten van fytoremediatie op vervuilde gronden of oude stortplaatsen, enz. Via een optimaliseringstraject (inclusief mogelijke WKK) wordt gestreefd naar een maximaal rendement van de verschillende types thermische installaties (zowel afval als energie).
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||