Sla navigatie over
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information
  Vlaamse en Belgische coördinatie  
     
  Europees milieubeleid  
     
  Multilateraal milieubeleid  
     
  Bilateraal milieubeleid  
     
  Interregionale samenwerking  
     
U bent hier: www.lne.be Thema's Beleid Internationaal milieubeleid Multilateraal milieubeleid Dossiers multilateraal milieubeleid Het Raamverdrag over Klimaatverandering en het Kyoto Protocol

Het Raamverdrag over Klimaatverandering en het Kyoto Protocol

Algemeen

 
Het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) stelt een algemeen raamwerk op voor intergouvernementele inspanningen om klimaatverandering aan te pakken. Het trad in werking op 21 maart 1994 en beschikt over bijna universeel lidmaatschap, door de ratificatie van 194 landen.
Dit Raamverdrag of Conventie erkent het klimaat als een wereldwijd goed waarvan de stabiliteit aangetast kan worden door de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen en heeft als ultieme doelstelling de emissie van deze gassen te beperken tot een niveau dat geen gevaarlijke antropogene gevolgen stelt voor het klimaat.
Deze ultieme doelstelling dient bereikt te worden in een tijdskader dat toelaat ecosystemen natuurlijk aan te passen aan klimaatverandering, dat verzekert dat de voedselproductie niet bedreigd wordt en dat voorziet in de vooruitgang van economische ontwikkeling op een duurzame manier. 
 
Belangrijke principes werden in de Conventie bepaald die de Partijen van de Conventie dienen te leiden bij het bereiken van de ultieme doelstelling:
-          Het principe van gezamenlijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden: alle landen dienen klimaatverandering te vermijden, maar sommige landen dragen hiervoor meer verantwoordelijkheid en hebben meer middelen om adequaat te reageren op de mogelijke gevolgen van de klimaatverandering, terwijl andere landen meer gevoelig zijn voor deze gevolgen. Een gedifferentieerde aanpak om het gezamenlijk doel te bereiken, is dus nodig.
-          Het voorzorgsbeginsel: er dienen voorzorgsmaatregelen genomen te worden om te anticiperen op de oorzaken van klimaatverandering, deze te voorkomen of in te perken, en de nadelige gevolgen daarvan te beperken. Gebrek aan volledige wetenschappelijke zekerheid mag niet als reden dienen voor uitstel van die maatregelen.
-          Het bevorderen van de duurzame ontwikkeling: maatregelen om het klimaatsysteem te beschermen dienen gericht te zijn op de specifieke omstandigheden van elke Partij en dienen geïntegreerd te worden in nationale ontwikkelingsprogramma’s, rekening houdend met het feit dat economische ontwikkeling noodzakelijk is voor het nemen van maatregelen tegen klimaatverandering.
 
Het Kyoto Protocol deelt dezelfde principes als de Conventie en versterkt de Conventie aanzienlijk door het stellen van individuele, juridisch bindende doelstellingen voor 37 geïndustrialiseerde landen en de Europese Unie om hun broeikasgasuitstoot te beperken of te verminderen in een bepaalde tijdsspanne. Deze doelstellingen bedragen gemiddeld een reductie van 5% van de uitstoot van zes broeikasgassen tegenover het basisjaar 1990, te bereiken in de periode 2008-2012.
Het Kyoto Protocol trad in werking op 16 februari 2005 en werd door 192 landen geratificeerd. Het Kyoto Protocol word beschouwd als een belangrijke eerste stap in wereldwijde emissiereductie en voorziet de essentiële architectuur voor verdere internationale akkoorden over klimaatverandering. Als de verbintenisperiode van het Kyoto Protocol eindigt in 2012, dient een nieuw internationaal akkoord over verdere reductiedoelstellingen onderhandeld en geratificeerd te zijn.
 
 

Structuur van het UNFCCC

 
De Conferentie van de Partijen (COP) is de hoogste besluitvormende autoriteit van de Conventie en bestaat uit alle landen die Partij zijn bij de Conventie. De COP is verantwoordelijk voor het op spoor houden van de internationale inspanningen om klimaatverandering aan te pakken en komt jaarlijks samen. De Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Kyoto Protocol samenkomen (CMP) is het hoogste beslissingsorgaan voor het Kyoto Protocol en komt eveneens jaarlijks samen, tijdens dezelfde periode als de COP.
 
De COP en de CMP beschikken over de diensten van de twee permanente hulporganen, SBSTA en SBI. De “Subsidiary Body for Scientific and Technological Advice” (SBSTA) staat in voor advies inzake wetenschappelijke, technologische en methodologische kwesties, terwijl de “Subsidiary Body for Implementation” adviseert bij de tenuitvoerlegging van de Conventie. Deze hulporganen komen twee keer per jaar samen, waarvan één sessie samenvalt met de vergaderingen van de COP en de CMP.
 
De COP en de CMP worden bovendien ondersteund door twee ad hoc werkgroepen, opgericht om de onderhandelingen betreffende een post-2012 klimaatakkoord te faciliteren. Tijdens CMP-1 (2005) werd de “Ad Hoc Working Group on Further Commitments for Annex I Parties under the Kyoto Protocol” (AWG-KP) opgericht. AWG-KP behandelt verbintenissen van de zogenaamde Annex I-Partijen (geïndustrialiseerde landen) onder het Kyoto Protocol voor de periode na 2012, namelijk nadat de eerste periode van verbintenissen omtrent emissiereductie eindigt.
Zoals beslist tijdens COP-11 (2005) werd vanaf 2006 een UNFCCC “dialogue on long-term cooperative action” gehouden. Deze dialoog leidde uiteindelijk tot de oprichting van de “Ad Hoc Working Group on Long-Term Cooperative Action under the Convention” (AWG-LCA) onder het “Bali Action Plan”.  (zie verder)
 
 

Post-2012 onderhandelingen

 
Tijdens de COP-13 en de CMP-3 in Bali, Indonesië kwamen de post-2012 klimaatonderhandelingen in een stroomversnelling door het bereiken van een akkoord over een tweejarig proces dat dient te leiden tot een post-2012 klimaatakkoord, de zogenaamde “Bali Roadmap” en het bijhorend “Bali Action Plan”. Deze periode werd gekenmerkt door intensieve onderhandelingen en hoewel COP-15 en CMP-5 (Kopenhagen, december 2009) de eindstreep was voor de “Bali Roadmap”, werd geen allesomvattend akkoord bereikt in Kopenhagen. Het Akkoord van Kopenhagen tekende enkele krijtlijnen uit voor het post-2012 klimaatakkoord, maar de complexiteit en gevoeligheid van vele thema’s was nog te groot om tot een consensus te komen in Kopenhagen.
 
Er werd beslist om de klimaatonderhandelingen over de twee onderhandelingssporen voort te zetten en tijdens COP-16 en CMP-6 in Cancún, Mexico (eind 2010) de uitkomst van deze onderhandelingen voor goedkeuring voor te leggen. Cancún bereikte wel resultaat in de vorm van een evenwichtig pakket van beslissingen die alle thema’s bevatte en legde een stevige basis voor de verdere onderhandelingen. Het werk van de ad hoc werkgroepen werd verlengd tot en met COP-17 en CMP-7 in Durban, Zuid-Afrika (28 november tot 9 december 2011).