Sla navigatie over
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information
  Vlaamse en Belgische coördinatie  
     
  Europees milieubeleid  
     
  Multilateraal milieubeleid  
     
  Bilateraal milieubeleid  
     
  Interregionale samenwerking  
     
U bent hier: www.lne.be Thema's Beleid Internationaal milieubeleid LNE-zine - Artikels AIM OESO-conferentie van Leefmilieuministers: een verslag

OESO-conferentie van Leefmilieuministers: een verslag

— gearchiveerd onder: ,

Eind april vond in Parijs de OESO-conferentie van Leefmilieuministers plaats. Vlaanderen werd er vertegenwoordigd door Minister voor Openbare werken, Energie, Leefmilieu en Natuur Hilde Crevits.

Met haar ontstaansgeschiedenis vanuit het Marshallplan en haar focus op economische samenwerking roept de OESO niet onmiddellijk het beeld op van een organisatie die een belangrijke werking rond leefmilieu heeft. Toch heeft ze een sterk uitgebouwde milieupijler in de vorm van haar in 1971 opgerichte Leefmilieucomité (Environmental Policy Committee), dat o.a. mee aan de wieg stond van het welbekende ‘de vervuiler betaalt’-principe. Dit comité tracht om de 3 à 4 jaar een bijeenkomst op Ministerieel niveau te organiseren.

De drie laatste conferenties voor de Milieuministers van de lidstaten dateren van 1998, 2001 en 2004. In 1998 werd een begin gemaakt van een ‘Milieustrategie voor het eerste decennium van de 21ste eeuw’, die op basis van wetenschappelijke toekomstprojecties onderbouwd moest worden. In 2001 werd deze Milieustrategie vervolgens onderschreven door de milieuministers van de OESO-lidstaten. In 2004 evalueerden zij de implementatie ervan. Eind april van dit jaar vond er dus opnieuw een bijeenkomst van leefmilieuministers plaats.

Hieronder volgen de belangrijkste aandachtspunten.

Recente trends inzake milieu en vooruitzichten tot 2030

Ook de OESO ministeriële conferentie van 28-29 april maakte de balans op van de uitvoering van de OESO-Milieustrategie. Dit gebeurde op basis van de ‘OESO Environmental Outlook 2030’, een grootschalige studie die de trends en milieuprioriteiten tot 2030 tracht aan te geven. Door middel van een systeem van ‘rode lichten’ worden klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit, waterschaarste en gezondheidsgevolgen van vervuiling erin aangeduid als prioriteiten voor dringende actie.

De ministers schaarden zich verder achter de boodschap dat een ambitieus milieubeleid met deze prioriteiten zowel ‘haalbaar’ als ‘doenbaar’ is, op voorwaarde dat de juiste beleidskaders gecreëerd worden. De conferentie werd aangewend om ervaringen uit te wisselen over dit soort innovatieve beleidspraktijken. Minister Crevits presenteerde er het Vlaamse humane biomonitoringsprogramma als een goed voorbeeld van innovatief beleid op het gebied van milieu en gezondheid.

Strategisch belang van subnationale en lokale overheden

De hernieuwde Milieustrategie voor het tweede decennium van de 21ste eeuw, die de OESO op vraag van de ministers voorbereidt, is een belangrijk instrument dat als kader voor het toekomstige beleid kan dienen.
Minister Crevits pleitte in dit verband voor de actieve betrokkenheid van subnationale en lokale overheden. Hoewel milieuproblemen in toenemende mate transnationaal van aard zijn, wordt hierdoor paradoxaal genoeg de rol van subnationale en lokale overheden voor de implementatie van internationale maatregelen van cruciaal belang. Lokale overheden hebben meer voeling met de lokale aard van milieuproblemen, staan dichter bij de bevolking en kunnen gemakkelijker andere stakeholders aantrekken. Een efficiënte en effectieve implementatie is dan ook slechts mogelijk als zij actief betrokken worden in de aanpak van de huidige milieu-uitdagingen.
Deze innovatieve boodschap werd voorlopig slechts gedeeltelijk opgepikt door de OESO. Toch verdient ze de nodige aandacht, aangezien ze geldt voor bijna alle belangrijke transnationale milieuproblemen.

 

Verenigbaarheid tussen milieu en globale competitiviteit.

De conferentie stond dit jaar in het teken van ‘Milieu en Globale Competitiviteit’. Doel was om te onderzoeken hoe globale competitiviteit en economische instrumenten kunnen ingezet worden om de milieuprioriteiten van de ‘Environmental Outlook to 2030’ aan te pakken en de transformatie naar een ‘lage CO²-maatschappij’ in te zetten.
Uit verschillende OESO-studies blijkt dat er geen bewijs is dat milieubeleid een negatieve impact heeft op het macro-economische niveau. Integendeel, milieubeleid kan dienen als een katalysator voor economische ontwikkeling. Bovendien onderzoekt de OESO via haar studies rond de ‘Cost of Inaction’ of de kosten om niet over te gaan tot beleidsactie hoger zijn dan de kosten van onmiddellijke beleidsactie.


Aandacht voor de distributieve dimensie in milieubeleid

Het voorgaande toont duidelijk aan dat de OESO - vanuit haar eigen organisationele logica – milieuproblemen vooral door een economische bril bekijkt. De distributieve dimensie geraakt hierdoor op de achtergrond, hoewel de OESO zelf deze dimensie als één van de belangrijkste obstakels voor internationale actie identificeert.
Minister Crevits heeft hier in haar interventie namens België extra de aandacht op gevestigd. De OESO focust momenteel nog te veel op de louter economische gevolgen (competitiviteitsimpacten, mobilisatie van investeringen, …) van toekomstige milieu-uitdagingen zonder de distributieve dimensie in rekening te brengen. De sociale gevolgen van de beoogde overgang naar een ‘C-arme’ maatschappij kunnen immers slechts op een duurzame wijze worden opgevangen als de kosten en lasten (‘burden-sharing’) billijk verdeeld worden, niet alleen tussen, maar ook binnen landen en zelfs bevolkingsgroepen.

Dit thema kwam ook aan bod tijdens besprekingen over de milieusamenwerking met de opkomende economieën (Brazilië, China, Indonesië, India en Zuid-Afrika). De samenwerking tussen de OESO en deze landen wordt als een must aanzien in tijden van economische globalisering en grensoverschrijdende milieuproblemen voor het behalen van collectieve milieudoelen. Daarom worden ze op een meer systematische manier betrokken in een programma van ‘Versterkt Engagement’.

Klimaat: een gedeelde verantwoordelijkheid

Zoals in meerdere internationale fora momenteel het geval is, stond ook bij de OESO het klimaatthema hoog op de prioriteitenlijst. De OESO is als organisatie duidelijk op zoek naar een niche die een meerwaarde kan betekenen in dit debat. Deze meerwaarde tracht zij te bieden door te focussen op thema’s als financieringsmechanismen, competitiviteitimpact, ‘carbon leakage’ en eco-innovatie.

Om de klimaatsuitdaging ten gronde aan te pakken is er nood aan een sterke samenwerking met alle belangrijke spelers, zowel in de internationale arena als op het nationale en subnationale vlak. Klimaat vraagt evenzeer om de betrokkenheid op het hoogste niveau van de nieuwe grootmachten als China en India, als om het partnerschap met lokale stakeholders. Lokale overheden en steden zijn dan ook sleutelpartners inzake klimaat.


Om een geïntegreerde aanpak voor klimaat te ontwikkelen, moeten er overduidelijk beleidsobstakels overwonnen worden. Eén van de sleutelboodschappen van de OESO- conferentie was dan ook dat de implementatie van klimaatbeleid een gedeelde verantwoordelijkheid is van verschillende ministeries en verschillende overheidsniveaus.

Klimaatsverandering is volgens de OESO niet alleen een milieuprobleem, maar ook een macro-economische uitdaging. Daarom werd een oproep gedaan aan de Ministers van Economie en Financiën om hun verantwoordelijkheid te nemen bij de herstructurering van de economie en de bijhorende sociale transformaties die cruciaal zijn om tot een C-arme samenleving te komen. Zij bogen zich begin juni over het thema ‘The Economics of Climate Change’.


Thomas Swerts is beleidsmedewerker multilateraal milieubeleid bij de Afdeling Internationaal Milieubeleid (AIM)