|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| home | contact | sitemap | publicaties | vacatures | english information | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Energie en energie-efficiëntie
In het Groenboek Energie uit 2006 staat dat Europa met zijn energiebeleid drie hoofddoelstellingen moet nastreven: duurzaamheid (milieu), concurrentievermogen en continuïteit van de voorziening (veiligheid). Energie-efficiëntieIn 2006 bracht de Commissie bovendien een Actieplan energie-efficiëntie uit waarin een kader wordt geschetst van beleid en maatregelen om meer vaart te zetten achter het proces om tegen 2020 het op meer dan 20% geraamde besparingspotentieel in het verbruik van primaire energie door de EU te realiseren. Het plan geeft een lijst van kosteneffectieve maatregelen en komt met voorstellen voor onmiddellijk te starten prioritaire maatregelen en andere maatregelen die geleidelijk kunnen worden uitgevoerd tijdens de looptijd van het plan (zes jaar). In maart 2011 stelde de Commissie een nieuw energie-efficiëntieplan voor waarin een reeks energie-efficiëntiemaatregelen zijn opgenomen die door alle economische sectoren ten uitvoer moeten worden gelegd om verdere energiebesparingen mogelijk te maken. In juni 2011 bracht de Commissie een voorstel voor een richtlijn inzake energie-efficiëntie uit. De richtlijn bouwt voort op de bestaande richtlijn inzake warmtekrachtkoppeling en energiediensten en smelt die samen tot één alomvattend juridisch instrument ter bevordering van energie-efficiëntie bij de energievoorziening en bij het eindgebruik van energie. Volgens cijfers van de Europese Commissie is de gebouwensector de grootste verbruiker van energie en de grootste uitstoter van CO2 in de EU (verantwoordelijk voor ongeveer 40% van het totale eindverbruik aan energie en de totale CO2-emissies in de EU). Efficiëntieverbeteringen in deze sector kunnen dus een grote bijdrage leveren aan de doelstellingen inzake CO2-reductie en energiebesparing. In 2010 werd een nieuwe richtlijn aangenomen over energieprestaties van gebouwen. Verder verzocht de Raad op de Lentetop van 2008 de Commissie om na te gaan op welke gebieden economische instrumenten, waaronder btw-tarieven, een rol kunnen spelen om het gebruik van energie-efficiënte goederen en energiebesparende materialen te verhogen. In 2011 publiceerde de Commissie een voorstel tot herziening van de Richtlijn Energiebelasting (herziening van Richtlijn 2003/96/EC “tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit”). Hernieuwbare energieIn 2005 bracht de Commissie een actieplan voor biomassa uit dat een aantal maatregelen bevat om de ontwikkeling van energie uit biomassa van hout, afval en landbouwgewassen te bevorderen door te voorzien in op marktmechanismen gebaseerde gebruiksstimuli en het wegwerken van obstakels voor de ontwikkeling van de markt. Hierop aanvullend publiceerde de Commissie in 2006 een strategie voor biobrandstoffen. Deze omvat 7 beleidslijnen: bevordering van de vraag naar biobrandstoffen, benutting van milieuvoordelen, ontwikkeling van de productie en distributie van biobrandstoffen, uitbreiding van het grondstoffenaanbod, vergroting van de handelsmogelijkheden, ondersteuning van de ontwikkelingslanden, en ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling. Als onderdeel van het klimaat-energiepakket, werd in 2009 een Richtlijn Hernieuwbare Energie aangenomen. Hierin zitten zowel een gezamenlijke Europese doelstelling (20% aandeel hernieuwbare energie in totale EU energieconsumptie tegen 2020) als nationale bindende doelstellingen (voor België: 13% tegen 2020) vervat. Lidstaten kunnen in principe een deel van hun doelstelling realiseren door het verwerven van garanties van oorsprong afgeleverd voor de productie van hernieuwbare energie in andere lidstaten. Daarnaast is een doelstelling van 10% aandeel hernieuwbare energie in transport tegen 2020 opgenomen (merk op dat de Commissie initieel 10% aandeel biobrandstoffen in transport voorstelde; dit is echter uitgebreid naar 10% aandeel “alle vormen van HE” in transport). Deze richtlijn bevat bovendien ook bindende criteria voor biobrandstoffen (transport) maar niet voor vaste biomassa (voor productie van elektriciteit en warmte). Diezelfde bepalingen werden opgenomen in de Richtlijn Brandstofkwaliteit. Om industrie, overheden en ngo’s te bemoedigen certificatiesystemen op te starten, publiceerde de Commissie in juni 2010 “Richtsnoeren voor de implementatie van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen”. In juli 2011 werden 7 certificatiesystemen voor duurzame biobrandstoffen goedgekeurd. Deze erkenning geldt voor de 27 EU-lidstaten en moeten ervoor zorgen dat de productie‑ en bevoorradingsketen voor biobrandstoffen in zijn geheel duurzaam zijn. De gebruikte criteria voor biobrandstoffen (uitgesloten teeltgronden, minimum broeikasemissiereducties, ...) houden echter geen rekening met de indirecte impact die groeiende volumes van biobrandstofteelten kan hebben op het landgebruik (“Indirect Land Use Change – ILUC”). In december 2010 publiceerde de Commissie hierover een Mededeling waarin een significante “ILUC-impact” wordt erkend. De Commissie stelde dat verdere analyse nodig is vooraleer indien nodig een voorstel kan geformuleerd worden; de Commissie was verwacht dit tegen juli 2011 te herevalueren. In 2010 onderzocht de Commissie bovendien ook de opportuniteiten en de contouren van duurzaamheidscriteria voor vaste biomassa. Dit resulteerde echter enkel in een aanbeveling aan de lidstaten om zoveel mogelijk op lidstaatniveau de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen ook toe te passen op vaste biomassa; er werd tot nog toe geen voorstel voor een bindend Europees kader gedaan. Een aantal landen (België, Nederland, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk) hebben er intussen op aangedrongen bij de Commissie om echter wel een dergelijk EU kader op te zetten; eind 2011 zal de Commissie haar standpunt over dit dossier herevalueren. Ecodesign en ecolabelEnergieverbruikende producten („evp's”) nemen een groot deel van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen en energie in de Gemeenschap voor hun rekening (35-40% van de milieu-impact van producten is afkomstig van evp’s). Ecologisch productontwerp is een essentieel element van de communautaire strategie inzake geïntegreerd productbeleid en is er preventief op gericht de milieuprestaties van producten te optimaliseren en tegelijk hun functionele kenmerken te behouden. In 2009 werd een herschikking van de kaderrichtlijn inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten aangenomen waarin staat dat er vereisten met betrekking tot het ecologisch ontwerp moeten komen voor evp’s. De kaderrichtlijn legt geen ecodesignvereisten vast voor specifieke producten, maar stelt wel de voorwaarden, criteria en methodologie die de Commissie moet respecteren bij het aannemen van ecodesignvereisten. Product-per-product worden uitvoeringsmaatregelen opgesteld door de Commissie onder toezicht van een panel van experts van de lidstaten. Naast de opname van evp’s was er sprake van uitbreiding van het toepassingsgebied tot “alle energiegerelateerde producten” (ttz. “elk goed dat tijdens het gebruik een effect heeft op het energieverbruik”), waardoor dus ook producten met een indirecte impact op het totale energieverbruik van een huishouden (zoals ramen, isolatie, douches, …) mee in beschouwing zouden moeten worden genomen. Dit zal echter pas vanaf 2011 gebeuren, wanneer de Commissie haar herziene ecodesign-werkplan publiceert. Momenteel loopt sinds 2007 een werkplan dat een indicatieve lijst van productgroepen bevat die de eerste drie jaar voor de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen als prioritair zullen worden beschouwd. Het Europees Ecolabel is een vrijwillige regeling, die in 1992 werd opgericht om bedrijven te stimuleren om milieuvriendelijkere producten en diensten voort te brengen. De milieukeurcriteria zijn niet gebaseerd op een enkele factor, maar op studies die het effect van het product of dienst op het milieu te analyseren gedurende zijn hele levenscyclus, vanaf winning van grondstoffen in de pre-productie fase, tot productie, distributie en verwijdering. Het ecolabel, te herkennen aan het bloem-logo, is een onderdeel van het actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid dat in juli 2008 door de Commissie werd goedgekeurd. De herziene ecolabel verordening uit 2009 stelt de regels vast voor de invoering en toepassing van het vrijwillige systeem van EU-milieukeuren. |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||