Sla navigatie over
www.lne.be
Home | Home Ecocampus | Contact | Links
  Debat  
     
  Aan de slag  
     
  Over Ecocampus  
     
  Ecocampus nieuwsflits  
     
  Oud project  
     

Verslagen rondetafels sessie 2

 



13. Integreren van ecodesign in het ontwerpproces


Voorzitter: Leen Van Aken (Lessius Mechelen, afdeling interieurvormgeving/meubelontwerp)

Meubelontwerpen is een 3 jaar durende bacheloropleiding aan de Lessius Hogeschool in Mechelen. Men probeert studenten zo veel mogelijk te stimuleren om ecologisch verantwoorde ontwerpen te maken.

Waarom duurzaam ontwerpen?
Om de ecologische voetafdruk van nieuwe producten naar beneden te halen.

Verschillende stromingen in duurzaam ontwerpen:
Ecodesign, Cradle to cradle (alles wordt hergebruikt), Biomimicry, Bio-ecologisch bouwen, Passiefhuizen, Transitiesteden…

Duurzaam ontwerpen: hoe begin je eraan ?

  • 1) Is het product dat je wil ontwerpen wel echt nodig?
  • 2) Materiaalkeuze: waar komt het materiaal vandaan, is het herbruikbaar, is het duurzaam verkregen => waarde hechten aan het materiaal
  • 3) Door ontwerp de attitude van de mensen proberen te veranderen
  • 4) Juiste moment kiezen voor de duurzame stap


Beschikbare methodes en tools voor een juiste materiaalkeuze
- Ecodesigntools:


Belangrijk is ook de ecologische voetafdruk van je ontwerp te kunnen berekenen, hiermee rekening houdend met de de hele levenscyclus van je product. Er is nog geen vaststaand systeem om deze voetafdruk te bepalen, maar er bestaan een aantal tools die je wel kunnen helpen., bijv. Eco-indicatoren.

Gesprekken binnen de groep
Eén van de deelnemers was een student in een nieuwe master “Duurzaam Bouwen” die veel inspiratie haalde voor ecodesign van een docent techniek en biologie. Er waren ook een 3-tal studenten uit de richting Milieuzorg. Er werd in de groep ook vragen gesteld bij het beleid van de overheid inzake zonnepanelen, spaarlampen, … Ook werd geopperd dat de economische schakel naar eco-efficiëntie nog lang niet gemaakt is (bijv. LiDS-wiel is nog niet in bedrijven ingeburgerd).
 
 



14. Verantwoord papier gebruiken


Voorzitter: Geertrui Goyens (FSC Belgium)

Papier wordt gemaakt van meerdere soorten pulp, van verschillende afkomst, vermengd tot een ideaal recept wordt bekomen. Men maakt een onderscheid tussen chemische pulp (toevoeging van chemicaliën, voor publicaties met langere levensduur), mechanische pulp (geen chemicaliën, mechanisch productieproces) en gerecycleerde pulp.

Hoewel de papiersector veel inspanningen levert, leidt de papierproductie tot milieubelasting in de vorm van uitstoot van CO2, AOX, COD, vast afval en uiteraard het kappen van bomen.

Wat kunnen we doen? Spring spaarzaam om met papier, verkies geloofwaardig gerecycleerd papier, verkies papier met geloofwaardige milieu- en/of bosbouwlabels. De term “geloofwaardig” wordt gebruikt aangezien de term “gerecycleerd” vrij is voor gebruik en niet wordt gecontroleerd.

Omdat blijkt dat de gewoonte om thuis te recycleren niet altijd wordt meegenomen naar de werkplek bedenken we enkele acties om ook op kantoor/school verantwoord papier te gebruiken:

  • Van eenzijdig bedrukt papier een cursusblok maken.
  • Verplicht recto verso printen, en zelfs twee pagina’s per vel (vier blz. op één pagina).
  • Geen papieren cursussen, de laptop meenemen naar de les.
  • Thesissen recto verso printen.
  • Bedrukt (klad) papier in één lade van de printer.
  • Kopieerapparaten/printers in het midden van de kantoorruimte plaatsen (sociale controle).
  • Gouden/witte gids niet meer gebruiken, geen ongevraagde reclame op naam: zich laten inschrijven op de Robinsonlijst (http://www.robinson.be/).
  • Via de teller van het kopieerapparaat bijhouden hoeveel kopies er periodiek worden gemaakt en dit cijfer trachten naar beneden te halen, eventueel wedstrijd aan koppelen.


De verschillende labels en het onderscheid ertussen worden overlopen en besproken: Europees Ecolabel, Groene Punt, PEFC-label, Blaue Engel label, Möbius loop, Nordic Swan label en het FSC-label (FSC 100 %, FSC Mix Sources, FSC Recycled). Het FSC (Forest Stewardship Council) label garandeert de duurzame oorsprong dankzij de onafhankelijke Chain of Custody certificering. Niet enkel het bos van oorsprong wordt gecontroleerd, maar alle schakels in de hele handelsketen tot bij de eindconsument.

Iedereen ontvangt de handleiding ‘Verantwoord papier gebruiken’ met duidelijk stappenplan.

 



15. FabLab


Voorzitter: Hogeschool Gent, Toegepaste Ingenieurswetenschappen, Docent vakgroep Mechanica

Deze sessie ging over ‘open source’ en duurzame 3D printer technologie waarbij studenten en onderwijzend personeel actief samenwerken bij workshops, lessen, R&D en beleid. Professor Peter Van Ransbeeck licht het proces van 3D printer technologie toe.

3D printers zijn toestellen die op basis van CAD-modellen voorwerpen letterlijk afdrukken in PLA (biodegradeerbaar materiaal). Eigenlijk is het zo dat eens je een 3D printer hebt, je er de onderdelen mee kunt afdrukken om nieuwe 3D printers te maken. Onder de 3D printers bestaan verschillende modellen als een ‘Darwin’, ‘Fab@home’…

Is Fablab duurzaam? In welke mate past dit in het principe ‘cradle to cradle’? Dat wordt uitgezocht. Een mooi voorbeeld is alvasdat ze de biodegradeerbare bekers op de hogeschool verzamelen en opnieuw verwerken (ze werken aan een vergruizer) tot de grondstof PLA die ze kunnen gebruiken om te printen in 3D. Op die manier besparen ze niet alleen op het aankopen van grondstoffen, ze recycleren ook.

Aan de Lessius Hogeschool wil men ook starten met een Fablab. Hiervoor zijn ze op zoek naar een goed businessplan, financieringsmogelijkheden, partners of een voorbeeld van een Fablab dat goed draait.
Ook bij Hogeschool Gent zijn ze nog steeds op zoek naar partners. Fablab draait er op studenten die de opleiding industrieel ingenieur (zowel Bachelors als Masters) volgen. Anders zou het moeilijk commercieel haalbaar zijn want de printers en het nodige materiaal kosten veel geld. Ze werken ook vaak samen met secundaire scholen (bv. in het kader van een wetenschapsweek).
Deze interactie/samenwerking tussen de studenten hoger onderwijs, de leerlingen secundair onderwijs (ASO & TSO) en het onderwijzend personeel van de hogeschool heeft voordelen en nadelen.
Het belangrijkste voordeel is dat de docenten hun studenten én hun kennis en vaardigheden beter kennen en ze zo ook beter kunnen (bij)sturen.
Een nadeel is dat de grenzen tussen docenten en studenten vervagen (geen titels – aanspreking op basis van voornaam).
Binnen een dergelijk Fablab op de hogeschool gebeurt veel onderzoek dat zichzelf niet terugbetaald (dat is een economisch gegeven). Velen (zowel binnen de hogeschool – vakoverschrijdend - als externe bedrijven) zijn geïnteresseerd in 3D prints, maar dat is niet de primaire doelstelling van het Fablab. De meerwaarde zit hem louter in de kennis- en vaardighedenstructuur.
Het sociale speelt een belangrijke rol: de kennis staat open voor iedereen/wordt gedeeld.
Een voorbeeld van vakoverschrijdende samenwerking: 3D printer technologie toepassen in de geneeskunde. Momenteel loopt er in het Fablab een doctoraat dat onderdelen van de luchtwegen print zodat die kunnen aangewend worden voor verder onderzoek. Door de 3D printer technologie zouden de kosten voor het onderzoek veel lager gehouden kunnen worden. De nauwkeurigheid van 3D printers is equivalent aan de andere (duurdere) vormgevende technologieën.
Een voorbeeld van samenwerking met externe bedrijven: advies bij productontwerp en/of tekening of 3D CAD file, aanmaken van prototypes en het vervaardigen van een eerste korte serie van een nieuw ontworpen product.
Meerwaarde van deze rondetafel: Mogelijke samenwerking tussen Hogeschool Gent en de Lessius Hogeschool. Aan de Lessius Hogeschool is men bezig met technologie rond 3D scannen, Hogeschool Gent zou dit kunnen uittesten door de scans te printen in 3D.
 
 



16. EDO-elementen in mondiaal en intercultureel leren in het lager onderwijs


Voorzitter: Stefaan Van den Abbeele (Studio Globo)

Stefaan Van den Abbeele van Studio Globo overloopt de vele gezichtspunten, visies, belangen waaruit de voorbije 30 jaar gewerkt werd in het onderwijs, van vredesonderwijs, mondiale vorming, over wereldburgerschap naar EDO. Tegen deze achtergrond en ontwikkeling spreekt Studio Globo over ‘verbondenheid en solidariteit leren in het basisonderwijs’. Hierbij onderscheiden ze vijf uitdijende omgevingscirkels: zichzelf, de anderen, voorwerpen en materialen, de groep/samenleving/cultuur en de natuurlijke kringloop.
Vervolgens werd er met de EDO-bril gekeken naar de werking van Studio Globo, waarbij gekeken werd in hoeverre de huidige werking beantwoordt aan het bijbrengen van nieuwe kennis, het systeemdenken bevordert, gericht is op waardeontwikkeling, rekening houdt met emonitonele aspecten en actiegericht is.

 



17. Studenten beïnvloeden de Universiteit Gent en hun medestudenten


Voorzitter: Nathalie Eggermont (voorzitter UGent1010; ugent1010@ugent.be of natalie.eggermont@gmail.com of www.ugent1010.ugent.be)

Binnen het kader van de internationale 10:10 campagne (op een jaar tijd 10 % op energieverbruik besparen) richtte een groep studenten aan de UGent ‘UGent 10:10’ op. Nathalie nam hiervoor het initiatief, zij had hiervoor ideeën opgedaan in Engeland. Gent is de eerste instelling in België die zich aansluit bij 10:10. Tot op heden werden 2000 studenten bereikt via de website, zij engageren zich om hun energieverbruik met 10 % terug te schroeven.

Opstart van UGent10:10: Nathalie heeft via een brief de medewerking gevraagd aan de rector. De dienst communicatie heeft daarop alle studenten een mail gestuurd met de uitnodiging voor een eerste bijeenkomt. Een zestigtal studenten zijn toen opgedaagd, vandaag blijven er nog een dertigtal over die actief deel uitmaken van de 10:10 groep.

Zij organiseerden:

  • startweek met o.a. een lezing, low-impactshow en een klimaatfilm
  • ruilbeurs
  • autovrije UGentdag
  • energiecampagne die startte met de dikke truiendag (in gangen en toiletten thermostaten enkele graadjes lager gezet) en sloot af met een Ecomarkt met allerlei infostandjes
  • studenten kunnen tips geven via website en prijs winnen
  • Oceanenweek met lessen en andere acties
  • verder ijveren ze tegen dubbelzijdig printen, voor kladpapierbak in PC-lokalen, voor drinkbussen ipv plastieken bekers, voor stickers tegen ongeadresseerd reclamedrukwerk, …

 



18. Sociale Economie op de Campus stelt voor: Leren van de straat, StreetwiZe (semi-plenaire sessie)


Voorzitter: Arnoud Raskin (Streetwize – Mobile School; www.streetwize.be en www.mobileschool.org)
Moderator: Vosec

Arnoud Raskin vertelt over de doelstellingen en het functioneren van Streetwize, een onderneming die werd opgericht op basis van ervaringen met het leven op de straat.

Vragen vanuit de samenleving leiden ertoe dat we 'gericht' ondernemen. Ondernemen kan op verschillende manieren; het kan ook participatief. Coöperatief ondernemerschap is hier een voorbeeld van. Dit is de manier waarop Streetwize als onderneming functioneert. Ondernemerschap hoeft niet uit winstbelang te zijn maar kan een manier zijn om bepaalde sociale issues in onze samenleving aan te pakken. Met Streetwize wordt een deel van de Mobile School als vzw gefinancierd.

De wereld verandert constant en we staan voor gigantische uitdagingen:

  • Demografisch
  • Vacuüm op de arbeidsmarkt
  • Energie
  • Technologie
  • Milieu

Er is nood aan innovatie en aan 'happy streetwize people' om deze uitdagingen aan te pakken. 'Streetwize people' worden gekenmerkt door hun veerkracht, ervaring, wendbaarheid, … Het zijn overlevers en creatieve ondernemers. Ze focussen op opportuniteiten, ageren pro-actief en creatief en worden gekenmerkt door de 'power of unity' (capaciteit om de gelederen te sluiten). Een straatkind heeft zijn basiseducatie op de straat. De omstandigheden op straat worden gekenmerkt door crisis, competitiviteit, hoog risico, continue verandering. Dit zijn ook typische omstandigheden waarin een onderneming functioneert. Arnoud zag vanuit dit gegeven mogelijkheden om consultancy en training te geven aan bedrijven vertrekkende vanuit de ervaring van en met straatkinderen.
Bij je handelen en activiteiten moet je ervoor zorgen dat je als onderneming impact hebt, dit gaat verder dan ondernemerschap. Het betekent voetsporen nalaten. Dit vinden we terug bij sociale ondernemingen en het onderscheidt hen van de klassieke ondernemingen. We spreken van ondernemerschap met 360° impact (liever dan maatschappelijk verantwoord ondernemen).
Actie bereik je als je gestuurd wordt door zowel ratio als emotie. Uiteraard bots je op weerstand maar dat is juist een teken dat je creatief bezig bent buiten de gangbare kaders (ruiten durven ingooien).
De opbrengsten van de trainingen en consultancy investeert Streetwize in projecten met straatkinderen via de Mobile School vzw.

 



19. Levenslang leren voor het leefmilieu


Voorzitters: Lieve Dams en Diederik Dunon (Avnet-KULeuven; www.kuleuven.be/lerenvoorleefmilieu)

Het nascholingsaanbod is zeer divers (5 faculteiten) en gericht zowel op een breed publiek van geïnteresseerden die wetenschappelijke basiskennis willen verwerven over natuur, milieu en duurzame ontwikkeling (weinig of geen specifieke voorkennis vereist) als voor specialisten die hun kennis en competenties rond de materie willen opfrissen of verdiepen (striktere diplomavereisten). Cursisten stellen zelf hun studiepakket samen. Wanneer zij slagen in de proeven kunnen zij credits bekomen (creditcontract).

Diederik DUNON maakte een ruime keuze uit het cursusaanbod en getuigt:

  • In de 28 jaar na behalen van mijn ingenieursdiploma is er enorm veel gebeurd en veranderd, niet enkel de wetenschappelijke kennis is geëvolueerd maar ook de methodieken en middelen om deze kennis over te brengen.
  • Zelfstudie is zeer belangrijk maar door het gebruik van moderne media (internet, Toledo) zijn er nu naast de studieboeken enorm veel bronnen hiervoor beschikbaar.
  • Met verschillende leeftijdsgroepen een zelfde cursus volgen is wederzijds zeer verrijkend door de uitwisseling van ervaringen vanuit verschillende achtergronden en leefwerelden.

 



20. Klimax


Deze sessie werd geannuleerd.
 



21. Didactische werkvormen voor docenten hoger onderwijs


Voorzitter: Rudy Vandamme (Vandamme Instituut)

Bijkomende informatie over Triangulate your teaching® (PDF).

Voorzitter Rudy Vandamme opent de sessie met zijn passies. Hij studeert graag en ontwikkelt graag methodieken; zoals De Vork, een gespreksmethodiek. Op dit moment doctoreert hij over nieuwe patronen van lesgeven.

  • Een centrale vraag is “Welke nieuwe patronen zullen zich in de komende dertig jaar in onze onderwijsvormen ontwikkelen?” Het is belangrijk om kennisontwikkeling centraal te stellen.
  • Nu volgen we een lineair patroon – ik ben aan het vertellen – ik draag over = industrieel patroon. Het constructivisme kwam er als tegenpatroon, vanaf de jaren 70. We moeten rekening houden met wat er bij de student gebeurt. We moeten ons met de student bezig houden om te zien hoe het proces bij de student verloopt om kennis te verwerven. Bv; groepswerk, portfolio, stage, brainstorm, hoekenwerk, debat, …
  • We zijn in een andere polariteit gekomen, zodat je met je eigen biografie als lesgever niet aan bod komt. Vanuit deze vaststelling ging Rudy aan het zoeken om de eigenheid van de docent ten volle in te zetten: “Wat is de rol van de docent, zijn/haar bijdrage?”
  • Rudy ging op zoek in de literatuur: kunnen we beide integreren? Daarrond gebeurde reeds heel veel onderzoek. Bereiter en Scardamelia. (Canada) stellen “Een school is geen plek van leren.” Een hogeschool is een plek van kennisontwikkeling.
  • Hoe kunnen we dit vertalen naar didactisch methodes? Hogescholen moeten op een eigen manier aan onderzoek doen. Dit kan bv. door studenten die stage doen. Hogeschoolstudenten moeten leren onderzoeksvragen stellen. Kennisontwikkeling ontstaat samen met de studenten.
  • Wat is de rol van de docent(e): faciliteert het proces, gooit er een vraag in. Of ook iemand die er een mening over heeft?
  • Informatietechnologie is minder interessant, het draait om ontmoeting. Hoe organiseren we ontmoetingen op het professionele vlak? Hier start Rudy de opbouw van een model: triangulatie. Belangrijk hierbij is dat de docent(e) verschillende petjes kan opzetten tijdens het leerproces. Hij is expert, verteller, facilitator, coach, evaluator en zelfs student (aangebracht door de groep). Door de relatie van de verteller met zijn/haar biografie tegenover de kennis, kunnen studenten een eigen relatie opbouwen met de kennis. Ze zien ook de relatie van de verteller met de kennis. De rol van de facilitator bestaat erin de aanwezige kennis in de groep op te roepen en (nieuwe) kennis te consolideren.
  • Rudy stelt vast uit diepteinterviews dat junior leerkrachten nogal eens strak vasthouden aan de expertenrol en van daaruit gezag opbouwen. Senior leerkrachten zetten gemakkelijker verschillende petjes op. 
  • Rudy sluit af met het onderstrepen van het belang van kennisontwikkeling. De vragen welke kennis, wie bepaalt kennis, kennisontwikkeling versus huidige gebruiken en structuren… blijft evenwel nog open en daagt ons uit.

 



22. Duurzame aankoopen op de campus in 2030


Voorzitters: Muriel Geldhof, Simone Heinen, Sarah Verhaeghen (Dep. LNE, Dienst Natuur- en Milieueducatie)

Via enkele vernieuwende methodieken van ‘visioning’ bedachten we hoe een duurzame campus er in 2030 uit zou zien. Vertrekkende vanuit enkele reflectievragen over ons persoonlijk consumptiegedrag begaven we ons naar het jaar 2030 en vormden een toekomstbeeld over de (aankoop)situatie in hogescholen en universiteiten. De aangereikte methodieken kunnen gebruikt worden met groepen studenten binnen de curricula en in allerlei groepssituaties waarin gewerkt wordt aan transitie. Op het einde werd informatie meegegeven over 'duurzaam aankopen' gerealiseerd kan  worden op een hogeschool of universiteit.

De toegepaste visioning-oefening bleek zeker waardevol te zijn. Om echt aan transitie (op een campus) te kunnen werken is er natuurlijk meer tijd voor de oefening nodig. Bovendien was het voor sommige deelnemers een belemmering dat het gekozen toekomstjaar 2030 redelijk nabij is waardoor het moeilijker is van het heden af te stappen. Ook de beeldende beschrijving van de campus in de toekomst die bij de start van de oefening werd meegegeven, stuurt de deelnemers reeds in een bepaalde richting terwijl het eigenlijk de bedoeling dis at zij zélf vanuit het niets een beeld proberen te vormen.

Enkele toekomstbeelden: De campus wordt een voorbeeld van duurzaamheid - Campus als opleidingsplein (niet exclusief) - Personeel en studenten wonen samen op de campus - Woon/Werkcompounds - Eilanden – biosfeer - Minder uren les en meer uren sport - Dezelfde gebouwen van vandaag staan er nog, maar met zonnepanelen, windmolens … - Verplaatsing op rails - Energiefietsen, elektrische voertuigen - directe verbinding openbaar vervoer - Docenten verplicht CO2 neutrale auto’s (sponsoring) - Veel groen, gras en aarde - Geluid van waterval - Overal moestuinen en fruitbomen - Eigen voedsel creëren, vers eten - Alles bio in de restaurants - Eigen energievoorziening - Eigen verantwoordelijkheid - Minder keuzevrijheid - Kledij uit andere, duurzame materialen - Afval: eerst toelating nodig om iets weg te mogen smijten - Beperkt aantal parkeerplaatsen - Grote sportcomplexen in de strijd tegen obesitas - Veel beeldschermen die zorgen voor communicatie

Bijkomende informatie:

 
 



23. Duurzame catering in Hogescholen


Voorzitter: Katharina Beelen (Vredeseilanden) en Annelies Carbonelle (Sint-Lucas)

Katharina Beelen van Vredeseilanden heeft ervaring in het begeleiden van processen in bedrijven die leiden naar een meer duurzame catering. Dit sluit zeer nauw aan bij de missie van Vredeseilanden die de ondersteuning van de familiale landbouw als hefboom uit de armoedeval centraal stelt. Uit de praktijk blijkt dat het vaak geen goed idee is om alles ineens te willen wijzigen. Stap voor stap kan men hier op maat van elke specifieke toestand op werken. Belangrijk is dat men de voorbeeldfunctie erkent en dat men op een transparante wijze communiceert naar de gebruiker. De intensieve begeleidingen die Vredeseilanden geeft, duren ongeveer een jaar. Belangrijk is dat het personeel mee is in het verhaal.

Annelies Carbonelle van Sint Lucas kwam het relaas toelichten van een project dat opteerde voor een radicale ommezwaai. Eigenaardig genoeg was de impact op twee departementen totaal tegengesteld. Bij het departement kunsten sloeg het concept onmiddellijk aan. Bij het departement architectuur kwamen alle mogelijke weerstanden boven. Vermoed wordt dat de achtergrond en interessevelden van de studenten hier een belangrijk verschilpunt vormde.

Een boeiende discussie die op dit relaas volgde toonde aan dat vooraf werken aan de perceptie uitermate belangrijk is.

Voor meer informatie: zie presentatie (PPT)

 



24. EDO in de lerarenopleiding


Voorzitters: Elly Quanten en Michel Janssens (Xios Hogeschool Limburg)

Elly Quanten licht toe hoe EDO aan bod komt in de opleiding professionele Bachelor lager onderwijs aan de Xios Hogeschool:

  • In het curriculum werd een keuzemodule ‘duurzame school’ ingevoerd. Diverse aspecten van Educatie voor Duurzame Ontwikkeling (EDO) zitten ook impliciet in het curriculum verweven. Bij de aanvang van de keuzemodule lag veel nadruk op de milieuproblematiek en op de pijlers en dimensies van duurzame ontwikkeling. Als project werd door de studenten een EDO-module ‘Ik snoep van de Aarde’ uitgewerkt.
  • Vandaag, vier jaar later, ligt het accent nog steeds op duurzame ontwikkeling, maar i.p.v. de pijlers en dimensies staat nu systeemdenken centraal. Dit gebeurt via diverse methodieken, zoals het gebruiken van relatiecirkels. Er wordt veel sterker ingegaan op competentiedomeinen van EDO (nieuwe kennis, waardeontwikkeling, omgaan met emoties, systeemdenken en actiegerichtheid) en op methodieken. Ook is er meer  aandacht voor samenwerking met externe partners en voor onderzoek.
  • In de toekomst wil men nog veel meer aandacht schenken aan het aspect ‘duurzame school’ en dus ruimer aan de slag gaan dan louter het aspect klaspraktijk. Men wil gaan werken aan 3 C’s: curriculum – campus – context. Dit zal niet altijd evident zijn, maar het is uiterst belangrijk om dit aan toekomstige leerkrachten mee te geven.
  • Men wil deze module opleidingsoverstijgend aanpakken: voor de opleiding lager en secundair (eventueel kleuter-) onderwijs samen.


Michel Janssens brengt het verhaal van EDO in de opleiding secundair onderwijs:

  • In het curriculum voor het secundair onderwijs zit EDO (onder meer) sterk vervat in de nieuwe VOETen (vakoverschrijdende eindtermen). Men wou EDO niet als afzonderlijk vak in het curriculum opnemen, maar via een didactisch atelier ‘vakoverschrijdend werken’ integreren in de opleiding. Dit atelier is  groepswerk. Elk groepje studenten wordt begeleid door 1 lector. Als onderwerp werd gekozen voor het thema ‘millenniumdoelstellingen’. Dit is een dankbare invalshoek om EDO concreet te maken. De (tweedejaars)studenten moeten één van de millenniumdoelen inhoudelijk uitspitten en daarvan een ‘wiki’ maken. De rol van de lector is louter begeleidend: hij/zij geeft geen inhoudelijke insteek. Vervolgens werken ze die (nieuwe) inhoudelijke kennis uit in een project voor de eerste graad secundair onderwijs (workshop, spel, presentatie). Tijdens een ‘mentorendag’ worden de projecten gepresenteerd aan de eerste- en derdejaarsstudenten.
  • Knelpunten zijn de (soms beperkte) EDO-competenties van de lectoren, de tijdsbelasting voor zowel studenten als lectoren, motivatie van de studenten (vooral voor diegene bij wie het niet tot hun vakgebied behoort), teamgerichtheid (het is de eerste keer dat de studenten in team samenwerken).


Nabespreking:

  • De groepjes worden door de lectoren (multidisciplinair) samengesteld. Elk groepje kiest wel zelf welke millenniumdoelstelling ze zullen behandelen.
  • Wat de studenten uitwerken is een les/project op klasniveau. Kan het niet motiverend zijn om hen iets te laten uitwerken op schoolniveau? Dit klopt: dat komt aan bod in het derde jaar.
  • EDO impliceert het doorbreken van hokjesdenken. Een meer holistische benadering is nodig. Lukt dat voor de studenten door te focussen op 1 millenniumdoelstelling? Die verbanden worden gelegd bij de terugkoppeling vanuit de verschillende groepjes. Dit zou wel meer aandacht kunnen krijgen. Bij de eerste opdracht (inhoudelijke uitdieping) moeten ze wel hun doelstelling linken aan de andere.
  • EDO gaat veel verder dan de millenniumdoelen. Democratie komt daarin bv. niet aan bod. Komt het breder plaatje in beeld? Het is inderdaad de bedoeling om dit in de toekomst te verbreden. Het gaat zowel om inhoudelijk werken als om methodieken. Tweedejaarsstudenten kunnen dit vaak nog niet allemaal integreren. Dit lukt al beter in een derde jaar. Er wordt stapsgewijs aan gewerkt.
  • Heterogene groepen zijn zeker een meerwaarde.
  • Het zou interessant zijn om m.b.t. de VOETen niet enkel de context ‘omgeving en duurzame ontwikkeling’ mee te nemen maar ook de andere (persoonsgebonden én maatschappijgebonden) contexten.
  • Worden studenten gestimuleerd om nieuwe methodieken ook mee te nemen naar hun stageplaatsen? Dit wordt inderdaad vaak aangebracht, maar het is moeilijk om zicht te krijgen op de mate waarin dit ook gebeurt. Stagementoren in de stagescholen zijn niet altijd even vertrouwd met deze methodieken of inhouden.
  • Er is heel veel vraag naar kant-en-klare pakketten, terwijl het eigenlijk veel meer gaat om een houding.
  • Ooit komt er misschien een leerlijn EDO.
  • De keuzemodules staan open voor externen.
  • Is er niet eerder nood aan een horizontale integratie van ‘duurzame ontwikkeling’ i.p.v. een verticale aanpak. Dit zou kunnen gebeuren door het impliciete curriculum expliciet te maken, maar daarvoor moet je alle lectoren wel mee krijgen.



debat de kennis voorbij

nieuwsflits