Inhoudstafel contracttekst gemeenten
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
- Algemene Beginselen
- Duur van de overeenkomst, opbouw en ondertekeningsmogelijkheden
- Rapportering
- Evaluatie
- Ondersteuning van de gemeenten
Hoofdstuk 2: Specifieke bepalingen per thema
- Thema Instrumentarium
- Thema Afval
- Thema Milieuverantwoord productgebruik
- Thema Water
- Thema Hinder
- Thema Energie
- Thema Mobiliteit
- Thema Natuur
- Thema Bodem
- Thema Duurzame ontwikkeling
Hoofdstuk 3: Financiële bepalingen
- Algemeen
- Basis, onderscheidingsniveau en projecten algemeen
- Bijkomende bepalingen

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
1. Algemene Beginselen
1.1 Algemene uitgangsprincipes
Art. 1 Door het ondertekenen van deze overeenkomst verbindt de gemeente zich er toe volgende beginselen van duurzaam milieubeleid te respecteren:
1° het voorkomingsbeginsel of beginsel van preventief handelen: milieuschade moet worden voorkomen;
2° het voorzorgsbeginsel: ernstige aanwijzingen zijn voldoende om een mogelijk probleem aan te pakken, zonder dat wetenschappelijke consensus over het oorzakelijk verband tussen verontreiniging en effect nodig is;
3° de voorkeur voor brongerichte maatregelen: het probleem wordt aan de bron aangepakt;
4° het stand-still-principe: de bestaande kwaliteit blijft minimaal behouden;
5° het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’: wie schade of verstoring veroorzaakt, moet ook instaan voor de (kosten van de) opruiming of hersteloperatie.
top

1.2 Uitvoeren van de overeenkomst
Art. 1 De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van alle bepalingen maar kan deze laten gebeuren door of in samenwerking met derden. De bijlagen maken integraal deel uit van de overeenkomst
.Acties of projecten die in intergemeentelijk verband of samen met andere gemeenten worden uitgevoerd, komen ook in aanmerking als gemeentelijke uitvoering van deze overeenkomst. Eén gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband treedt op als trekker en is verantwoordelijk voor de gezamenlijke indiening van de actie of het project, rapportering en verdere administratieve opvolging. Ook de provincie kan deze rol opnemen.
Bij de uitvoering van elk project kaderend in de samenwerkingsovereenkomst moet worden vermeld dat het project wordt betoelaagd door de Vlaamse Overheid. Op elke publicatie, tekst,… die in het kader van het project wordt verspreid, moet eveneens het logo van de Vlaamse Overheid worden aangebracht.
1.3 Afwijken van de contractuele bepalingen
Art. 1 Termijnen van evaluatie en rapportering
De minister kan beslissen op vraag van een van beide partijen en in onderling overleg termijnen van evaluatie en rapportering te verlengen voor de Vlaamse Overheid of voor alle gemeenten. Alle volgende data in de procedure voor het ingediende dossier worden met dezelfde termijn verlengd.
Art. 2 Inhoudelijke bepalingen
Als het uitvoeren van een actie of het treffen van een maatregel niet of slechts gedeeltelijk kan gebeuren doordat de Vlaamse Overheid of een provincie in gebreke blijft bij het aanreiken van ondersteuning die uitsluitend door de Vlaamse Overheid of door de provincies wordt ter beschikking gesteld, en deze zijn noodzakelijk voor de uitvoering van de bepalingen, zal de Vlaamse minister van Leefmilieu beslissen om de niet-uitgevoerde actie of maatregel of de gedeeltelijke uitvoering ervan niet in mindering aan te rekenen bij de beoordeling.
In gevallen van overmacht, die een gemeente verhindert haar verplichting geheel of gedeeltelijk uit te voeren, en waarbij de gemeente haar goede trouw en haar poging om het gebrek aan uitvoering tot een minimum te beperken, dient aan te tonen, kan de minister beslissen om de betrokken subsidie niet in mindering te brengen, indien de minister de overmacht voldoende gemotiveerd acht.
top

1.4 Aanpassen van de contractuele bepalingen
Art. 1 Deze overeenkomst doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Vlaamse Overheid om regelgeving uit te vaardigen met betrekking tot de erin vervatte aangelegenheden. Te allen tijde moet de vigerende wetgeving nageleefd worden, ongeacht of deze bepalingen werden opgenomen in de overeenkomst of niet. De toepassing van de bepalingen in de huidige samenwerkingsovereenkomst worden met onmiddellijke ingang aangepast aan eventuele nieuwe wettelijke bepalingen. Deze overeenkomst kan ook aangepast worden na overleg tussen de Vlaamse Overheid en de gemeenten.
Daarnaast kunnen waar specifiek vermeld bepalingen van deze overeenkomst of bijlagen bijgestuurd worden door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu op basis van overleg met de gemeenten.
top

2. Duur van de overeenkomst, opbouw en ondertekeningsmogelijkheden
2.1 Duur van de overeenkomst
De overeenkomst beslaat de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013. De overeenkomst wordt van kracht vanaf 1 januari van het jaar waarin de gemeente de overeenkomst ondertekent.
2.2 Opbouw van de overeenkomst
De overeenkomst bestaat enerzijds uit een basis en een onderscheidingsniveau en anderzijds uit een projectmodule.
2.3 Ondertekeningsmodaliteiten
2.3.1 Basis en onderscheidingsniveau
Art. 1 De gemeente die de overeenkomst ondertekent, voert tijdens de duur van de overeenkomst ten minste de bepalingen van de basis uit.
De gemeente kan ook opteren voor het onderscheidingsniveau.
De gemeente die kiest voor het onderscheidingsniveau, verbindt er zich toe om:
1° een duurzaamheidsambtenaar te werk te stellen zoals bepaald in deze overeenkomst (alleen verplicht voor gemeenten vanaf 12.000 inwoners);
2° 35 punten te behalen, vrij te kiezen over de verschillende thema’s heen.
2.3.2 Projecten
Art. 1 De gemeente kan in het kader van de in deze overeenkomst vermelde thema’s een project uitvoeren.
De gemeente kan een aanvraag indienen voor het onderdeel “Verwerken verontreinigde grond” op voorwaarde dat de gemeente intekent op het onderscheidingsniveau en de actie uitvoert waarbij zij een inzamelplaats inricht en uitbaat voor het verzamelen van kleine partijen verontreinigde grond, voornamelijk afkomstig van schadegevallen bij particulieren.
Het project waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, mag op het ogenblik van indiening nog niet in uitvoering, noch uitgevoerd zijn. De uitvoering van het project is ten vroegste voorzien vanaf de indiening van het project, zonder enige garantie op subsidiëring. Uitzonderingen kunnen toegestaan worden voor ingrepen die nodig zijn omwille van hoogdringendheid.
Het project moet uitgevoerd zijn binnen een termijn van drie jaar na de kennisgeving van de goedkeuring van de subsidieaanvraag door de minister. Op basis van een gemotiveerde vraag tot uitstel en na goedkeuring door de Vlaamse Overheid kan de uitvoeringstermijn verlengd worden met maximaal twee jaar.
top

3. Rapportering
3.1 Adres
Tenzij anders bepaald in de Bijlage Rapportering, worden alle documenten ingediend bij de Vlaamse Overheid, op volgend adres:
Departement LNE
Afdeling Milieu-integratie en -subsidiëringen,
Koning Albert II-laan 20, bus 8,
1000 Brussel,
ter attentie van het Afdelingshoofd.
Van zodra beschikbaar, gebeurt de indiening van de documenten via het digitaal loket, opgezet door de Vlaamse Overheid.
3.2 Intekening
De gemeente geeft in het ondertekeningsformulier aan welke onderdelen ze wil uitvoeren en stuurt dit voor 1 januari van het jaar van intekening naar de Vlaamse Overheid. Voor het jaar 2008 wordt het ondertekeningsformulier ingediend binnen 4 maanden na ontvangst van de contracttekst.
top

3.3 Basis, onderscheidingsniveau en projecten
3.3.1 Algemeen
Art. 1 De gemeente rapporteert over de uitvoering van deze overeenkomst via het gemeentelijk milieujaarprogramma. De Vlaamse Overheid bepaalt de inhoudstafel van het gemeentelijk milieujaarprogramma, zodat de rapportering over de verschillende onderdelen van de overeenkomst snel kan teruggevonden worden.
In bijlage bij deze overeenkomst wordt telkens aangegeven welke informatie een gemeente moet rapporteren. Andere documenten of bijlagen bij het milieujaarprogramma zal de gemeente ter plaatse bewaren en ter beschikking houden en zal de gemeente op eenvoudig verzoek aan de Vlaamse Overheid voorleggen.
Over projecten die in samenwerking worden uitgevoerd en waarover de verantwoordelijke gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband rapporteert, hoeven de individuele gemeenten niet te rapporteren. De gemeenten nemen hier wel een duidelijke verwijzing op in hun rapportering.
Indien een intergemeentelijk samenwerkingsverband trekker is, worden bij de indiening van het project ook de schriftelijke afspraken met de betrokken gemeenten toegevoegd.
Over projecten die in samenwerking met de provincie worden uitgevoerd en waarover de provincie volgens haar overeenkomst rapporteert, hoeven de individuele gemeenten niet te rapporteren. De gemeenten nemen hier wel een duidelijke verwijzing op in hun rapportering.
3.3.2 Basis en onderscheidingsniveau
Art. 1 De gemeente rapporteert jaarlijks tegen 1 april over de uitvoering van deze overeenkomst in het voorgaande jaar.
Art. 1 Aanvraag - algemeen
Overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst kan de gemeente een project indienen met betrekking tot een of meerdere in deze overeenkomst opgenomen thema’s.
De gemeente dient het projectvoorstel in tegen 1 januari van het jaar van intekening. Voor 2008 moeten de projectvoorstellen ingediend worden binnen 4 maanden na ontvangst van de contracttekst.
Inhoudelijk goedgekeurde maar niet weerhouden projecten kunnen door een gemeente worden overgedragen naar het volgende jaar mits eenvoudige melding aan de Vlaamse Overheid tegen 1 januari van het betreffende jaar.
Art. 2 Aanvraag – thema Water
Voor het thema Water omvat een projectvoorstel een principiële subsidieaanvraag en een uitvoeringsdossier. Het uitvoeringsdossier wordt ofwel samen met de subsidieaanvraag ofwel tegen 1 januari van het volgende jaar ingediend. 2013 is het laatste jaar waarop uitvoeringsdossiers kunnen worden ingediend.
Art. 3 Aanvraag – MiNa-werkers
De gemeente kan voor het onderdeel “MiNa-werkers” een projectvoorstel indienen tegen 1 oktober van het voorafgaande jaar van intekening. De voorstellen voor het jaar 2008 worden ingediend binnen 4 maanden na ontvangst van de contracttekst.
Art. 4 Rapportering
De gemeente rapporteert binnen de zes maanden na afloop van een project over de uitvoering ervan en dient hierbij ook de betaalaanvraag in.
top

4. Evaluatie
4.1 Algemeen
Art. 1 De evaluatie gebeurt uitsluitend aan de hand van de bepalingen opgenomen in deze overeenkomst en haar bijlagen.
De in de overeenkomst vermelde thematische doelstellingen bevatten geen verplichtingen, maar geven een algemene omschrijving van de thematische doelstellingen die nagestreefd worden via de acties, maatregelen en projecten die binnen het respectieve thema kunnen uitgevoerd worden in het kader van de samenwerkingsovereenkomst.
Tijdens de evaluatie of in voorbereiding van een actie/project of van de basis of het onderscheidingsniveau, wordt indien noodzakelijk een terreinbezoek georganiseerd en/of kan schriftelijk bijkomende informatie opgevraagd bij de gemeente. Deze bijkomende informatie wordt schriftelijk overgemaakt aan de Vlaamse Overheid.
Zowel de gemeente, de provincie als de Vlaamse Overheid kan het initiatief nemen voor een plaatsbezoek.
4.2 Basis, onderscheidingsniveau en projecten
4.2.1 Basis, onderscheidingsniveau
Art. 1 Een arbitragecommissie adviseert de leidend ambtenaar van het Departement LNE over gegroepeerde of exemplarische evaluaties van de uitvoering van het basis- en het onderscheidingsniveau.
Na goedkeuring door de leidend ambtenaar van het Departement LNE, rekening houdend met het advies van de Arbitragecommissie, bezorgt de Vlaamse Overheid ten laatste op 15 november haar evaluatie aan de gemeente.
De gemeente kan tot een maand na het ontvangen van de evaluatie bezwaar aantekenen tegen de gemaakte evaluatie van het basis- en onderscheidingsniveau. Het bezwaar wordt ingediend op het algemene correspondentieadres. De administratie adviseert de minister met betrekking tot het ingediende bezwaar.
top

4.2.2 Projecten
Art. 1 Aanvraag - algemeen
De evaluatie van de projectaanvragen gebeurt aan de hand van een aantal algemene en specifiek themagebonden criteria, voor zover van toepassing.
Algemene criteria zijn:
- de volledigheid van het projectvoorstel;
- de uitvoeringsgerichtheid (effectieve resultaten) en uitvoerbaarheid van het voorstel binnen de vooropgestelde timing;
- de verenigbaarheid van het voorstel met de Vlaamse en lokale milieu- en natuurdoelstellingen;
- de doelgroepgerichte aanpak (als onderdeel van een project tenzij expliciet anders vermeld in de overeenkomst);
- het innovatief karakter op lokaal niveau;
- de doorwerking naar verder beleid;
- thema-overschrijdend karakter;
- de kostprijs.
De specifiek themagebonden criteria zijn opgenomen bij de betreffende thema’s.
De evaluatie van de doelgroepgerichte aanpak gebeurt aan de hand van de bepalingen opgenomen in de definitie.
De administratie maakt een subsidiëringsprogramma op van de inhoudelijk goedgekeurde projecten, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu.
De gemeenten worden jaarlijks tegen 1 juli op de hoogte gebracht van de door de minister goedgekeurde projecten.
Tegen deze evaluatie kan geen beroep worden ingediend.
Inhoudelijk goedgekeurde maar niet weerhouden projecten op het subsidiëringsprogramma kunnen door een gemeente worden overgedragen naar het volgende jaar mits eenvoudige melding aan de Vlaamse Overheid. Deze projecten worden met voorrang opgenomen in het volgende subsidiëringsprogramma.
Art. 2 Aanvraag - MiNa-werkers
Voor de aanvragen “MiNa-werkers” geldt dat voor de in oktober van het voorafgaande jaar van intekening, ingediende aanvragen de gemeente de beoordeling van de ‘aanvraag MiNa-werkers’ tegen uiterlijk einde januari van het jaar van intekening ontvangt.
Een goedkeuring van een aanvraagformulier of van bepaalde werkzaamheden uit het werkplan, houdt geenszins een automatische goedkeuring in van een daaropvolgende of toekomstige aanvraag of werkzaamheid.
Art. 3 Uitvoering
De evaluatie van de ‘rapportering over de uitvoering’ ontvangt de gemeente binnen de 6 maanden na indiening van de uitvoering.
top

5. Ondersteuning van de gemeenten
5.1 Vlaamse Overheid
Art. 1 In het kader van deze overeenkomst neemt de Vlaamse Overheid een aantal ondersteunende taken ten aanzien van de gemeenten op.
Concreet houdt deze ondersteuning in:
- het organiseren van een centraal loket bij wie de gemeenten terecht kunnen met hun vragen over de uitvoering van deze overeenkomst;
- het samenwerken met alle actoren die een belangrijke rol kunnen spelen in het ondersteunende en flankerende beleid;
- het organiseren van algemene ondersteuning zoals:
o het geregeld deelnemen aan periodiek overleg;
o het (mede) organiseren van vorming;
o het administratief ondersteunen van gemeenten;
o het bekendmaken van communicatie- en sensibilisatiecampagnes inzake milieu waaraan gemeenten kunnen deelnemen via de webstek http://www3.vlaanderen.be/pasklaar/;
o het jaarlijks publiceren van overzichten met betrekking tot intekening, evaluatie, goedgekeurde projecten;
- het organiseren van ondersteuning op maat van individuele gemeenten zoals
o het beantwoorden van vragen met betrekking op de uitvoering van de overeenkomst;
o het evalueren van de rapportering;
o het beantwoorden van vragen met betrekking tot de evaluatie over de uitvoering van de overeenkomst;
- het onderhouden van een webstek waarop de gemeente de nodige informatie kan terug vinden mbt de samenwerkingsovereenkomst;
- het deelnemen aan de provinciale opvolgingscommissie (in functie van de noden);
- het organiseren van een Vlaamse opvolgingscommissie (in functie van de noden).
top

5.2 Provincies
Art. 1 In het kader van de overeenkomst tussen de Vlaamse Overheid en de provincies leveren de provincies ondersteunende taken ten aanzien van de gemeenten.
Concreet houdt deze ondersteuning in:
- het oprichten van een centraal loket waar de gemeenten terecht kunnen met hun vragen;
- de samenwerking met alle actoren die een belangrijke rol kunnen spelen in het ondersteunende en flankerende beleid;
- het organiseren van algemene ondersteuning (bijv. periodieke overlegvergaderingen, vorming, campagnes, algemene administratieve ondersteuning);
- het organiseren van ondersteuning op maat van individuele gemeenten in functie van de noden (vb proces van intekening op, uitvoering en evaluatie van de overeenkomst, opmaak dossier);
- het organiseren van een provinciale opvolgingscommissie (individueel overleg per gemeente ten minste één maal in een periode van drie jaar).
Over de acties die in samenwerking met de provincie worden uitgevoerd en waarover de provincie volgens haar overeenkomst moet rapporteren, hoeven de individuele gemeenten niet uitgebreid te rapporteren. De gemeenten nemen wel een duidelijke verwijzing op in het milieujaarprogramma.
5.3 Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en autonoom gemeentebedrijf
Art. 1 Acties of projecten die door een intergemeentelijk samenwerkingsverband (of een door hen opgerichte werkmaatschappij) of door een autonoom gemeentebedrijf of door een gemeentelijke vzw worden uitgevoerd, komen ook in aanmerking als gemeentelijke uitvoering van deze overeenkomst. De gemeente blijft wel verantwoordelijk voor de uitvoering van de acties en projecten.
Op voorwaarde dat er schriftelijke afspraken worden gemaakt tussen de gemeente en het intergemeentelijk samenwerkingsverband (of de door hen opgerichte werkmaatschappij) of het autonoom gemeentebedrijf of de gemeentelijke vzw, kan het intergemeentelijk samenwerkingsverband (of de door hen opgerichte werkmaatschappij) of het autonoom gemeentebedrijf of de gemeentelijke vzw:
- instaan voor de rapportering over de uitvoering voor de gemeente;
- instaan voor de financiële opvolging.
top

5.4 Steunpunten Tandem en SLA
Art. 1 Parallel aan de samenwerkingsovereenkomst met de gemeenten en provincies, wordt voor de periode 2008-2010 ook een overeenkomst afgesloten met de BBL enerzijds en VODO anderzijds.
De samenwerkingsovereenkomsten voorzien in de verderzetting van 2 ngo-steunpunten. Het steunpunt ‘Tandem’ opgericht door BBL is een samenwerkingsverband tussen een aantal Vlaamse ngo’s. Het ‘Steunpunt Lokale Agenda 21’ wordt opgericht in de schoot van VODO.
De beide steunpunten hebben als opdracht de kennis van verenigingen inzake lokale duurzame ontwikkeling ter beschikking te stellen. Ze spelen in op vragen en behoeften afkomstig van de gemeenten en provincies en kunnen overgaan tot het ontwikkelen van projecten tussen lokale besturen en ngo’s.
Hoofdstuk 2: Specifieke Bepalingen per thema
1. Thema Instrumentarium
1.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente ontwikkelt de nodige instrumenten voor het voeren van een duurzaam lokaal milieubeleid. Aandachtspunten hierbij zijn de organisatie van de gemeentelijke diensten, handhaving, inspraak en de ontwikkeling van een Milieu Management Informatie Systeem. Verder wordt ook de opbouw van capaciteit gestimuleerd (duurzaamheidsambtenaar) en het planmatig werken.
top

1.2 Basis
Art. 1 Gemeentelijke diensten
Art. 1.1 Organisatie
De gemeente zal tijdens de duur van de overeenkomst haar gemeentelijke diensten zo organiseren dat ze de taken uitvoeren die te maken hebben met milieu- en natuurklachtenbehandeling, natuurbehoud, ecologisch bermbeheer, integraal waterbeleid, toezicht op en verlening van adviezen in verband met milieu- en natuurvergunningen, afvalbeheer, milieubeleidsplanning, medewerking aan milieu- en natuuracties van gewestelijke of provinciale besturen, sensibilisatie rond natuur-, milieu- en duurzaamheidsthema’s en bijscholing i.v.m. hierboven vermelde thema’s. Daarnaast worden ook de andere taken die expliciet in deze overeenkomst zijn vermeld en de andere taken die door de milieu- en natuurwetgeving al aan de gemeente zijn opgedragen door de gemeentelijke diensten uitgevoerd.
De gemeente zal bovendien ook ten minste de volgende taken realiseren:
1° op een geïntegreerde manier uitvoering geven aan de doelstellingen van deze overeenkomst;
2° instaan voor de uitbouw van een milieuloket voor eerstelijns-milieuzorg;
3° de communicatie van het lokale milieubeleid, zowel naar de gemeentelijke diensten, als naar de doelgroepen en de bevolking.
Art. 1.2 Personeel
Om de bovenstaande bepalingen te kunnen naleven zal de gemeente beschikken over gemeentelijk personeel dat de gemeente ondersteunt bij het gemeentelijke milieu- en natuurbeleid.
De milieuambtenaar is de centrale spilfiguur van de milieudienst van de gemeente. De functie van milieuambtenaar is in het personeelsbehoeftenplan opgenomen.
Art. 1.3 Instellen van een centraal meldpunt voor milieuklachten en hierover communiceren naar de burgers. Interne afspraken maken omtrent de 24-uur permanentie van dit meldpunt en de uitwisseling van de geregistreerde gegevens over milieuklachten.
Art. 1.4 Systematisch overleg milieuhandhavende en milieuklachten behandelende diensten
Binnen de gemeente is er systematisch overleg tussen de verschillende diensten die belast zijn met de handhaving van milieuhinder en de behandeling van milieuklachten. In de eerste plaats vindt dit overleg plaats tussen de milieudienst en de politiedienst en/of politiezone. Dit overleg moet leiden tot de optimalisatie van de samenwerking tussen de verschillende bij het behandelen van milieuklachten betrokken diensten. De opvolging van milieuklachten wordt centraal beheerd of informatie wordt in voldoende mate uitgewisseld zodat elke klacht door de gepaste dienst wordt opgevolgd en behandeld. De behandelende dienst houdt de andere diensten op de hoogte van de verdere behandeling van de milieuklacht. Via een samenwerkingsprotocol kan hiervoor een duidelijk kader worden gecreëerd. Een model van samenwerkingsprotocol is te vinden op de webstek van VVSG.
top

Art. 2 Handhaving
Art. 2.1 Personeel
De gemeente beschikt in beginsel over tenminste één persoon met een Vlarem-bekwaamheidsbewijs.
Deze persoon wordt in het bijzonder belast met het toezicht op de als hinderlijk ingedeelde inrichtingen van de tweede en de derde klasse, conform de vigerende milieuhygiëneregelgeving.
Art. 2.2 Proactieve en reactieve controles
De gemeente voert zowel proactieve als reactieve controles uit op de klasse 2- en 3-inrichtingen en neemt ter zake alle nodige initiatieven en/of maatregelen overeenkomstig de vigerende milieuregelgeving. Er wordt nagegaan of aan de vergunningsplicht wordt voldaan.
De klasse 2- en klasse 3-inrichtingen worden gedurende de looptijd van de overeenkomst steekproefsgewijze gecontroleerd.
Bij hinderproblemen, als dusdanig na controle omschreven en al dan niet veroorzaakt door hinderlijke inrichtingen, moet de gemeente optreden als lokaal bemiddelaar.
Daarnaast stelt de gemeente, binnen de grenzen van haar territoriale bevoegdheid, eveneens de overtredingen op de natuurvergunningen en de vrije velddelicten vast. Dit lijkt een aangewezen taak voor de lokale politie.
Art. 2.3 Logistieke ondersteuning
De gemeente stelt de gemeentelijke toezichthouders de nodige middelen ter beschikking (lokalen, materiaal, …) om hun taak naar behoren te kunnen vervullen.
Art. 2.4 Samenwerkingsovereenkomst met een aangrenzende gemeente, een intergemeentelijke vereniging of een politiezone
Als de gemeente niet beschikt over een persoon met een Vlarem-bekwaamheidsbewijs, of als de gemeente niet meer beschikt over deze persoon wegens personeelsverloop of langdurige afwezigheid, sluit de gemeente binnen het jaar na ondertekening van de overeenkomst een overeenkomst af, hetzij met een aangrenzende gemeente, hetzij met een intergemeentelijke vereniging of politiezone waarvan de gemeente deel uitmaakt. In deze overeenkomst moet de vorm van samenwerking inzake milieuhandhaving worden afgesproken.
Deze samenwerkingsovereenkomst bevat onder meer:
1° de taakverdeling en de wijze van samenwerking;
2° de middelen die voor de uitoefening van het toezicht ter beschikking worden gesteld;
3° de opmaak van een lijst waarin de toezichtacties op milieuovertredingen worden beschreven;
4° het aanduiden van een aanspreekpunt per gemeente voor de opvolging van milieuovertredingen;
5° de bemiddelingsrol die de gemeente opneemt.
Art. 3. Milieu Management Informatie Systeem
Art. 3.1. De diensten betrokken bij het milieu- en natuurbeleid hebben via een internetverbinding vlot toegang tot online milieu-informatie.
Art. 3.2. De gemeente en de Vlaamse Overheid verzorgen binnen hun bevoegdheden de gegevensinvoer voor volgende databanken:
1° digitaal loket van de Samenwerkingsovereenkomst;
2° jaarlijkse inventaris van de gebruikte hoeveelheden bestrijdingsmiddelen in het kader van het pesticidenreductieprogramma;
3° milieuvergunningendatabank;
4° milieuklachten-, registratie- en opvolgingssysteem (MKROS): alle meldingen bij de milieudienst van klachten die het gevolg zijn van een probleem van geluidshinder, geurhinder, lichthinder, stof- of roethinder, al dan niet gerelateerd aan een vergunningsplichtige inrichting of activiteit. Milieuklachten waarbij een vermoeden bestaat dat de menselijke gezondheid kan worden aangetast, worden eveneens geregistreerd in MKROS;
5° gemeentelijke inventaris van risicogronden;
6° energieprestatiedatabank.
Deze lijst kan worden aangepast in overleg met gemeenten en provincies .
Art. 3.3 Voor de databanken vermeld onder art.3.2 geldt:
1° de invoer start ten laatste zes maanden na bericht van de Vlaamse Overheid dat de databank, of een deel ervan, operationeel is. Voor gemeenten die na dit bericht de SO als nieuwe gemeente ondertekenen, krijgen eenzelfde opstartperiode.
2° de invoer betreft nieuwe gegevens. Dit gebeurt continu of minstens jaarlijks.
De invoer van oude gegevens is optioneel, behalve voor de gemeentelijke inventaris van risicogronden:
- de invoer van alle besluiten genomen met toepassing van het VLAREM sinds 1991 moet voltooid zijn vóór 01/01/2010;
- de invoer van alle activiteiten die niet vergund zijn of dateren van vóór 1991 moet voltooid zijn vóór 01/01/2013.
3° de invoer gebeurt via een systeem naar keuze, maar conform de uitwisselingsstandaard en eventuele bijkomende richtlijnen voorgeschreven door de Vlaamse Overheid in overleg met de gemeenten en provincies.
4° voor de milieuvergunningen geldt: de gemeente draagt de vereiste documenten over aan de Vlaamse Overheid, op papier of digitaal, conform richtlijnen voorgeschreven door de Vlaamse Overheid in overleg met de gemeenten en provincies. Voor alle besluiten genomen met toepassing van het VLAREM sinds 1991, gebeurt dit vóór 01/01/2010.
5° de Vlaamse Overheid voorziet een gebruikershandleiding, demonstratie- en opleidingssessies i.s.m. de provincies, een testomgeving waarin potentiële gebruikers kunnen leren werken met de toepassing en een helpdesk die via telefoon en e-mail vragen beantwoordt.
top

Art. 4. Gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur
Art. 4.1. Algemeen
Volgende bepalingen gelden onverminderd het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de uitvoeringsreglementering ervan.
De gemeente beschikt ten laatste 6 maanden na het ondertekenen van deze overeenkomst over een gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur, hierna milieuraad genoemd,
1° die de gemeente adviseert over het gemeentelijk milieu- en natuurbeleid:
- hetzij op verzoek van het college van burgemeester en schepenen of van de gemeenteraad;
- hetzij op verzoek van de bevoegde schepen van leefmilieu;
- hetzij op eigen initiatief.
2° die eventueel andere acties uitvoert, op niet dwingend verzoek of uit eigen beweging.
Deze milieuraad is een belangrijke actor in het creëren van een draagvlak voor het gemeentelijke milieu- en natuurbeleid en in het stimuleren van het maatschappelijke debat met betrekking tot dit gemeentelijke milieu- en natuurbeleid.
Gemeenten met minder dan 5000 inwoners worden aangeraden een milieu- en adviesraad op te richten, maar zij kunnen bij intekening gemotiveerd een afwijking voor deze bepaling voorstellen.
Art. 4.2. Statuten
De gemeenteraad bepaalt de statuten. In deze statuten worden ten minste de algemene werking en de samenstelling bepaald.
Art. 4.3 Bevoegdheden
De milieuraad zal om advies worden gevraagd over aangelegenheden die te maken hebben met het gemeentelijke en intergemeentelijke beleid inzake leefmilieu, natuur en duurzame ontwikkeling. Daarnaast heeft de raad het recht om op eigen initiatief over alle beleidsdossiers, waarvan zij vindt dat er milieu- en/of natuurbelangen in het geding zijn, advies uit te brengen aan de gemeenteraad of het College van burgemeester en schepenen, hierna de gemeente te noemen.
De milieuraad wordt in ieder geval om advies gevraagd:
1° bij het opstellen van een ontwerp van milieubeleidsplan en de rapportering in het kader van deze overeenkomst;
2° over de gemeentelijke begroting en begrotingswijzigingen voor milieu, voor zover dit niet al is vergezeld van de jaarlijkse rapportering waarover de milieuraad advies gaf.
Art. 4.4 Adviesvraag en adviesverlening
Om de adviesfunctie van de milieuraad mogelijk te maken, zal de gemeente aan de milieuraad de agenda's en de verslagen van de gemeenteraden en de nodige informatie om advies uit te brengen bezorgen.
De gemeente zal de adviesvragen steeds schriftelijk stellen.
De adviestermijn voor de adviesaanvragen bedraagt minimaal een maand. In onderling overleg kan hiervan afgeweken worden.
Het advies bevat, naast een duidelijk standpunt of een herformulering, een omstandige motivering. Het advies van de milieuraad maakt steeds deel uit van het desbetreffende dossier.
De gemeente brengt de milieuraad binnen drie maanden na de aflevering van het advies op de hoogte van het gevolg dat aan een advies werd gegeven of zal gegeven worden. Als het niet gevolgd wordt, geeft de gemeente een motivering.
Art. 4.5 Samenstelling
De milieuraad bestaat uit stemgerechtigde leden, niet-stemgerechtigde leden en waarnemers. De gemeenteraad bepaalt de samenstelling van de milieuraad.
1° Stemgerechtigde leden
De volgende instanties en/of organisaties worden uitgenodigd: de milieu- en natuurverenigingen, de erkende wildbeheereenheden, de onderwijsinstellingen, de sociaal-culturele organisaties en vormingsorganisaties, alsook beroepsgroepen en/of –organisaties. De gemeenteraad bepaalt het totale ledenaantal, waarbij de grootte van de gemeenteraad richtinggevend kan zijn, en het aantal stemgerechtigden per organisatie.
Ten minste een derde van de milieuraad bestaat uit leden van een milieu- en natuurvereniging. Indien het niet mogelijk is om te komen tot deze vertegenwoordiging (omdat in de gemeente bijvoorbeeld maar 1 milieuvereniging actief is), dan kan de gemeente ook niet-erkende milieu- en natuurverenigingen in dit quotum meetellen mits akkoord van de milieuraad. Niet erkende milieu- en natuurverenigingen zijn verenigingen die natuur en milieu als nevendoelstelling hebben, zoals de Fietsersbond vzw of een plaatselijke actiegroep.
Ook mannen en vrouwen zijn voor ten minste een derde vertegenwoordigd. De diverse geledingen dienen hier rekening mee te houden. Deze berekeningen geschieden op basis van het totaal aantal stemgerechtigde leden.
De milieuraad kan inwoners op grond van criteria zoals deskundigheid, inzet of positieve interesse als stemgerechtigde leden coöpteren binnen de door de gemeenteraad gestelde grenzen. De hierboven vermelde evenwichten mogen hierbij echter niet in het gedrang komen.
2° Niet-stemgerechtigde leden
Daarnaast kunnen volgende personen als niet-stemgerechtigd lid deel uitmaken van de raad:
- de schepen(en);
- de gemeentelijke ambtenaren;
- politieke mandatarissen of een door elke fractie in de gemeenteraad aangewezen persoon.
Niet-stemgerechtigde leden kunnen deelnemen aan de discussies. Deze personen kunnen geenszins drukken op het formuleren van het advies. De onafhankelijke werking van de milieuraad mag hierdoor niet in het gedrang komen.
Het aantal niet-stemgerechtigde leden bedraagt maximaal de helft van het aantal stemgerechtigde leden.
3° Waarnemers
De milieuraad kan zelf beslissen om waarnemers, op basis van deskundigheid uit te nodigen. De waarnemers kunnen deelnemen aan de discussies.
4° Voorzitter en secretaris
De voorzitter en de secretaris worden door (maar niet noodzakelijk uit) de stemgerechtigde leden verkozen. Noch de burgemeester, noch de schepen, noch een vertegenwoordiger van een politieke fractie, noch een ambtenaar werkzaam op gemeentelijk niveau kan voorzitter worden van de milieuraad.
De milieuraad kan vooraf vaststellen dat bepaalde vergaderingen van de milieuraad toegankelijk zijn voor iedere inwoner en daarvoor een algemene oproep lanceren. In dit geval spreken we van een ’open’ milieuraad of participatieraad. De inwoner die gebruik maakt van dit open karakter van de milieuraad, neemt deel aan de vergaderingen als niet-stemgerechtigd lid.
Art. 4.6 Werking en ondersteuning
De milieuraad vergadert zo dikwijls als de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren het vereisen en ten minste tweemaal per jaar.
De milieuraad kan een huishoudelijk reglement opstellen. Dit wordt ter bekrachtiging aan de gemeenteraad voorgelegd. Hieraan kan een afsprakennota worden toegevoegd waarin de samenwerking en de ondersteuning tussen gemeente en milieuraad nader worden bepaald.
De gemeente stimuleert de werking van de milieuraad door voldoende financiële, logistieke en educatieve ondersteuning te verlenen. Het gaat ten minste om het ter beschikking stellen van een lokaal, een gemeentelijke ambtenaar ter ondersteuning van de secretaris en minimale werkingsmiddelen. Het budget is aangepast aan de taken die de gemeente aan de adviesraad opdraagt of de activiteiten die de milieuraad vrijwillig uitvoert.
Art. 4.7 Samenwerking met andere adviesraden
Er wordt naar gestreefd om intensief samen te werken met andere lokale adviesraden, bijvoorbeeld door het organiseren van gezamenlijke thematische vergaderingen of door het organiseren van een jaarlijkse gezamenlijke start- en evaluatievergadering van alle raden samen. Ook de samenwerking met milieuraden op andere bestuursniveaus wordt nagestreefd.
Art. 4.8 Jaarverslag
De milieuraad stelt een jaarverslag op. In dat jaarverslag komen ten minste de volgende elementen aan bod:
1° de samenstelling (namen, vertegenwoordigers van …/burgers, stemgerechtigd/niet-stemgerechtigd, vaste waarnemers, functie binnen de milieuraad);
2° de financiële, logistieke, informatieve en educatieve ondersteuning door de gemeente;
3° een schematisch overzicht van de data van de vergaderingen en de belangrijkste agendapunten;
4° een schematisch overzicht van alle uitgebrachte adviezen: onderwerpen en aard, gevolgen, respons van de gemeente;
5° andere activiteiten (bijv. gevoerde sensibilisatieacties).
Dit jaarverslag en alle stukken, met inbegrip van eventuele minderheidsstandpunten zijn openbaar. Na goedkeuring binnen de milieuraad ligt het jaarverslag ter inzage op de milieudienst.
top

Art. 5. Gemeentelijk milieubeleid
Indien in het algemeen beleidsplan geen substantieel en herkenbaar luik “leefmilieu” werd voorzien, en indien geen gemeentelijk milieubeleidsplan werd opgesteld, wordt een visienota “Leefmilieu” opgesteld en goedgekeurd door de gemeenteraad. Het ontwerp wordt voorgelegd aan de gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur. De Vlaamse Overheid zal hiervoor een ondersteunende handleiding ter beschikking stellen.
1.3. Onderscheidingsniveau
Art. 1. Duurzaamheidsambtenaren
De gemeente stelt een gemeentelijke duurzaamheidsambtenaar te werk bij intekening op het onderscheidingsniveau. De duurzaamheidsambtenaren die in het kader van de samenwerkingsovereenkomst 2005-2007 werden aangesteld, tellen mee voor het behalen van de onderstaande equivalenten. Ambtenaren die deze functie reeds uitoefenen, en ambtenaren die via interne verschuiving deze functie wensen uit te oefenen, kunnen ook in aanmerking komen indien aan de onderstaande voorwaarden voldaan is. Voorafgaande terugkoppeling met de evaluator is gewenst om deze voorwaarden af te toetsen. In het geval van interne verschuiving moeten de bestaande taken overgenomen worden of moet er aangetoond worden dat de bestaande taken wegvallen (bijv. einde project).
Het maximaal aantal VTE dat gesubsidieerd wordt via deze overeenkomst wordt in onderstaande tabel bepaald. Een gemeente kan ervoor kiezen om de subsidie voor de duurzaamheidsambtenaren te gebruiken voor de subsidiëring van de uitvoering van goedgekeurde projecten, bovenop het richtbedrag dat in dat jaar voorzien wordt voor de betrokken gemeente.
| N inw. per gemeente/stad | Maximaal aantal VTE | Minimaal niveau |
≤ 12.000 (niet verplicht) | 1 halftijds | B |
| > 12.000 en ≤ 40.000 | 1 voltijds | B |
| > 40.000 en ≤ 200.000 | 2 voltijds | 1A en 1B |
> 200.000 en ≤ 400.000 | 4 voltijds | 1 A en 3 B |
| > 400.000 | 6 voltijds | 2 A en 4 B |
Bij intergemeentelijke (in overeenstemming met het decreet op intergemeentelijk samenwerken) of bovengemeentelijke samenwerking blijven deze minimumbepalingen van kracht. Een combinatie met andere vormen van subsidiëringen is niet mogelijk. (bijv. gesco, startbaan)
De nieuwe duurzaamheidsambtenaren komen ten laatste op 1 september van het jaar van ondertekening in dienst.
De duurzaamheidsambtenaar is de spilfiguur voor het tot stand komen van een duurzaam lokaal milieubeleid. In de functiebeschrijving komt het specifieke takenpakket van de duurzaamheidsambtenaar heel goed tot uiting:
- ervoor zorgen dat de principes die met duurzame ontwikkeling te maken hebben, voldoende worden geïmplementeerd in het gemeentelijke milieubeleid;
- oog hebben voor integratie tussen de verschillende onderdelen van deze overeenkomst en tussen de diverse beleidsdomeinen;
- om dit te bereiken het nodige overleg opstarten en opvolgen tussen verschillende diensten;
- het aanspreekpunt zijn binnen de gemeente met betrekking tot duurzaam lokaal milieubeleid;
- instaan voor communicatie, informatie, sensibilisatie en educatie m.b.t. deze overeenkomst en duurzame ontwikkeling;
- het actieplan opvolgen voor de realisatie van een intern milieuzorgsysteem, onder meer met betrekking tot het gemeentelijk energiebeleid.
top

Art. 2 Milieubeleidsplan
De gemeente heeft in overeenstemming met het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een gemeentelijk milieubeleidsplan opgesteld. Voor elk jaar dat de gemeente intekent, is er een milieubeleidsplan dat slaat op dat betreffende jaar.
Na definitieve vaststelling door de gemeenteraad geeft zij het milieubeleidsplan ter kennis aan de Vlaamse Overheid.
Art. 3 Milieubarometer
De gemeente zal tijdens de duur van de overeenkomst aan de hand van een milieubarometer de toestand van het milieu opvolgen. Dit houdt in dat een set van minimaal 15 indicatoren verspreid over de verschillende milieuthema’s wordt opgesteld en opgevolgd door middel van een opvolgingsfiche per indicator. Een model van deze fiche wordt in de handleiding aangeboden. De indicatoren waarop de gemeente impact heeft, worden in de milieubarometer opgenomen. Het is aanbevolen, maar niet verplicht, om indicatoren te kiezen die door de Vlaamse Overheid centraal opgevolgd worden.
De milieubarometer zal ingezet worden als beleidsondersteunend instrument én communicatief instrument. Door het meten en interpreteren van evoluties zal de milieubarometer input geven in de strategische planning van de gemeente. Een afgewerkte milieubarometer is een instrument dat de basis is om over het milieubeleidbeleid van de gemeente te communiceren naar haar burgers toe en een debat naar het middenveld op gang te brengen.
De milieubarometer is geen evaluatie-instrument voor de beoordeling van de bepalingen van deze overeenkomst. Indien bepaalde indicatoren wel als beoordelingscriterium worden gebruikt, staat dit uitdrukkelijk bij de verschillende thema’s van deze overeenkomst vermeld.
Het gebruik van een ander type barometer (bijv. duurzaamheidsbarometer, calculatoren ecologische voetafdruk en milieu-indicatoren,,…) is mogelijk. Indien deze barometer afwijkt van bovenstaande bepalingen kan een vraag tot afwijking bij intekening aangevraagd worden.
Timing:
1° In het eerste jaar van intekening op deze overeenkomst wordt de indicatorenset samengesteld.
2° Vanaf het tweede jaar van intekening op de overeenkomst wordt de milieubarometer volledig uitgewerkt. Opvolgingsfiches worden opgesteld en metingen worden uitgevoerd.
Indien de gemeente reeds een milieubarometer opgesteld heeft als uitvoering van niveau 2 van Samenwerkingsovereenkomst 2005-2007 geldt alleen 2°.
top

Art. 4 Milieu Management Informatie Systeem
In overleg met gemeenten en provincies kan een lijst worden voorzien van databanken waarvoor de gemeente en de Vlaamse Overheid binnen hun bevoegdheden de gegevensinvoer verzorgen.
Voor de invoer gelden dezelfde algemene principes als in de basis.
Art. 5 Gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur
Ten minste 1 gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur wordt opengesteld voor geïnteresseerde inwoners (zie Afdeling 3.1.2.1.1, artikel 5). Open milieuraden kunnen ook boven- of intergemeentelijk worden georganiseerd.
Art. 6. Handhaving
De gemeente volgt op en controleert sloopwerken met betrekking tot het selectief slopen overeenkomstig het Uitvoeringsplan Milieuverantwoord materiaalgebruik en afvalbeheer in de bouw.
top

1.4 Projecten
Art. 1 Mogelijke projecten
Art. 1.1 MiNa-werkers
Inhoudelijke bepalingen
Algemene inhoudelijke bepalingen
De gemeente kan tijdens de duur van de overeenkomst bepaalde milieudoelstellingen van de thema’s Afval en/of Water en/of Natuur en/of Energie mee realiseren door het inzetten van milieu- en natuurwerkers (MiNa-werkers) indien:
1° de werkzaamheden in uitvoering van acties/projecten in aanmerking komen om door MiNa-werkers te worden uitgevoerd. De werkzaamheden die door MiNa-werkers kunnen worden uitgevoerd, worden als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd;
2° de MiNa-werkers behoren tot de doelgroepwerknemers.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kan beslissen tot een uitbreiding van de thema’s waarbinnen werkzaamheden door MiNa-werkers kunnen uitgevoerd worden, binnen de beperkingen van het beschikbare contingent.
Specifieke inhoudelijke bepalingen
Bij het opstellen van de aanvraag MiNa-werkers of de rapportering MiNa-werkers houdt de gemeente eveneens rekening met volgende specifieke inhoudelijke bepalingen:
1° de details en verplichte gegevens die kenbaar worden gemaakt via de verplichte formats, en die nodig zijn om een grondige en correcte beoordeling mogelijk te maken;
2° om het aantal VTE te berekenen, dient de gemeente zich te baseren op een effectief werkvolume van 1 200 uren (exclusief feestdagen en verlof; inclusief vervoer tijdens werkuren dat gerelateerd is aan de goedgekeurde werkzaamheden uit het aanvraagformulier);
3° om minimaal een zekere meerwaarde aan milieudoelstellingen te kunnen bereiken bedraagt het minimum aantal VTE dat aangevraagd kan worden 0,5 VTE/jaar;
4° dezelfde werkzaamheden van een vorig werkjaar kunnen herhaald worden bij een nieuwe
aanvraag het volgende jaar;
5° overdracht van niet gepresteerde goedgekeurde uren naar een volgend werkjaar is niet mogelijk.
Het aantal VTE dat per gemeente maximaal gesubsidieerd kan worden
N inw. per gemeente/stad Gemeente oppervlakte Maximaal aantal VTE
< 50 000 Of ≤ 4000 ha 2
≥ 50 000 en < 100 000 Of > 4000 ha en ≤ 6000 ha 4
≥ 100 000 Of > 6000 ha 6
Tewerkstelling van de MiNa-werkers
De gemeente kan de werkzaamheden zelf uitvoeren of toevertrouwen aan een derde. In beide gevallen moeten de werkzaamheden uitgevoerd worden door doelgroepwerknemers. In geval van uitbesteding blijft de gemeente de contractant met de Vlaamse Overheid, en blijft de gemeente het aanspreekpunt en de (eind)verantwoordelijke voor de indiening van de aanvraag en de rapportering.
Arbeidsovereenkomst
De MiNa-werkers worden door de gemeente of de uitvoerende partner aangeworven, hetzij met:
1° een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
2° met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur in het kader van het werkervaringsplan genaamd WEP zoals bedoeld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 houdende uitvoering Vlaams Werkgelegenheidsakkoord: harmonisering van de werkervaringsprogramma's (weer-werkprojecten en het werkervaringsplan), artikel 7bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 houdende uitvoering van het Koninklijk Besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen of artikel 7bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen.
Doelgroepwerknemers
Voor deze overeenkomst zijn de doelgroepwerknemers:
1° de doelgroepwerknemers zoals bepaald in het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen;
2° de personen met een handicap zoals bedoeld in art. 2, § 2, 1° van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap, tewerkgesteld in een beschutte werkplaats zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen;
3° de doelgroepwerknemers zoals bedoeld in het decreet van 22 december 2006 inzake Lokale Diensteneconomie;
4° invoegwerknemers zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie;
5° de werknemers die in aanmerking komen voor aanwerving in het kader van de Vlaamse regelgeving betreffende de werkervaringsprojecten.
Minstens 80 % van de medewerkers is verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
Beoordelingscriteria en evaluatie
De aanvraag
De aanvraag MiNa-werkers moet aan volgende voorwaarden voldoen:
1° de aanvraag bevat de gevraagde documenten;
2° het aanvraagformulier MiNa-werkers bevat een planning voor de duur van maximaal 1 werkjaar, overeenkomstig de duur van de periode vermeld in het ondertekeningsformulier van de Samenwerkingsovereenkomst. Dezelfde werkzaamheden van een vorig werkjaar kunnen herhaald worden bij een nieuwe aanvraag het volgende jaar.
Toekenning
De toekenning van de MiNa-werkers gebeurt uitsluitend op basis van volgende criteria:
- indiening volgens de voorgeschreven procedure en indiendata;
- milieukwaliteit van het werkplan;
- beschikbaar contingent.
Inhoudelijke beoordeling
Het bereiken van de milieudoelstellingen wordt voor de Vlaamse Overheid gecontroleerd via het werkplan MiNa-werkers, de rapportering MiNa-werkers, en via steekproefsgewijze terreinbezoeken, door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) voor het thema Afval, door de Vlaamse milieumaatschappij (VMM) voor het thema Water en door het Agentschap voor Natuur en Bos voor het thema Natuur.
Het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie controleert of de tewerkstellingsdoelstellingen worden nageleefd op basis van haar regelgeving.
De administratie bevoegd voor de inhoudelijke beoordeling, kan beslissen om de toekenning van het aantal VTE afhankelijk te maken van een vorige toekenning, ten opzicht van deze overeenkomst als ten opzichte van de samenwerkingsovereenkomst 2002-2007, in volgende gevallen:
- wanneer jaar na jaar het aantal VTE overschat wordt ten opzichte van de opgegeven werkzaamheden;
- wanneer jaar na jaar na rapportering blijkt dat het goedgekeurd aantal VTE niet wordt gepresteerd en dit niet te wijten is aan overmacht.
Harmoniserings- en vereenvoudigingsclausule
De Vlaamse Regering kan in overleg met de gemeenten beslissen om, in het kader van een mogelijke harmoniserings- en vereenvoudigingsoperatie tussen enerzijds, bovenstaande Milieu- en Natuurwerkers, en anderzijds, het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2003 houdende toekenning van een subsidie aan uiteenlopende actoren voor het natuur-, bos- en groenbeheer via groene, duurzame jobs toegankelijk voor doelgroepwerknemers, wijzigingen aan te brengen met het oog op de onderlinge afstemming van beide voormelde stelsels.
top

2. Thema Afval
2.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente werkt, samen met de hogere overheid, mee aan de uitvoering van het Vlaamse afvalstoffenbeleid binnen de eigen gemeentelijke diensten. Daarnaast onderneemt en ondersteunt de gemeente initiatieven voor de inwoners die duurzame gedragsveranderingen bewerkstelligen. De gemeente streeft hierbij naar een coherent afvalstoffenbeleid met aandacht voor afvalpreventie, hergebruik, selectieve inzameling, voorkomen van illegaal ontwijkgedrag, evenals handhaving.
2.2 Basis
Art. 1 Afvalpreventie en hergebruik
Art. 1.1 De gemeente biedt de inwoners middelen aan om thuis te composteren. De gemeente biedt de inwoners antireclamestickers aan en neemt de gepaste initiatieven om deze te verspreiden. De Vlaamse Overheid subsidieert de aankoop van middelen om thuis te composteren via het ministerieel besluit van 17 februari 2007 houdende vaststelling van nadere regels voor de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die de Vlaamse Overheid door of op initiatief van lagere besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uit gevoerd. In het kader van de Milieubeleidsovereenkomst Papier zorgt de Vlaamse Overheid ervoor dat antireclamestickers ter beschikking gesteld worden van de gemeenten zoals bepaald in deze milieubeleidsovereenkomst.
Art. 1.2 De gemeente stimuleert het hergebruik van afvalstoffen door minstens een overeenkomst af te sluiten met een door de OVAM erkend kringloopcentrum. Deze overeenkomst omvat minstens bepalingen over de sensibilisatie, de onderlinge doorverwijsfunctie, de inzamelwijzen, het restafval en de vergoeding voor herbruikbare goederen.
top

Art. 1.3 De gemeente voert een passieve sensibilisatieactie uit om afvalpreventie te stimuleren voor minstens 1 afvalstof.
Art. 2 Selectieve inzameling en restafval
Art. 2.1 De gemeente organiseert de selectieve inzameling van huishoudelijke afvalstoffen overeenkomstig de minimale bepalingen opgenomen in het vigerende Uitvoeringsplan voor huishoudelijke afvalstoffen. De gemeente zorgt ervoor dat haar inwoners terecht kunnen op een vergund containerpark en zorgt dat de selectieve inzameling voor ten minste volgende afvalstoffen aan de minimale bepalingen beantwoordt: grofvuil, papier en karton, glas, PMD, KGA. Dit geldt eveneens voor de selectieve inzameling van groenafval in een groenregio en GFT-afval in een GFT-regio.
Art. 2.2 De gemeente sensibiliseert minstens eenmaal tijdens de periode 2008-2013 (bij voorkeur in 2008 of 2009) over de inzameling van bestrijdingsmiddelen van burgers binnen het kader van de selectieve inzameling van KGA.
Art. 2.3 De gemeente zorgt ervoor dat de hoeveelheid restafval gelijk of lager ligt dan de taakstelling restafval op niveau van elke gemeente zoals opgelegd in het vigerende Uitvoeringsplan voor huishoudelijke afvalstoffen.
Art. 2.4 De gemeente zamelt het hechtgebonden asbesthoudend afval in op het containerpark overeenkomstig de bepalingen van het vigerende Uitvoeringsplan voor huishoudelijke afvalstoffen.
Art. 2.5 De gemeente verwerkt het bermmaaisel overeenkomstig het VLAREA in een vergunde inrichting en toont dit aan met verwerkingsattesten.
Art. 2.6 De gemeente voert een passieve sensibilisatie uit over selectief slopen en sorteren aan de bron overeenkomstig het Uitvoeringsplan Milieuverantwoord materiaalgebruik en afvalbeheer in de bouw.
Art. 3 Opruimen achtergelaten gevaarlijke afvalstoffen
De gemeente die de basis van de samenwerkingsovereenkomst ondertekent, kan aanspraak maken op een financiële ondersteuning van de OVAM voor het opruimen van achtergelaten gevaarlijke afvalstoffen zoals bepaald in dit artikel.
Art. 3.1 Om het handhavingsbeleid op het lokaal niveau te ondersteunen wil de Vlaamse Overheid kleine partijen achtergelaten gevaarlijke afvalstoffen, zoals gedefinieerd in het VLAREA, laten opruimen. Deze partijen moeten het voorwerp zijn van een proces-verbaal, opgemaakt op basis van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet door een toezichthoudende ambtenaar overeenkomstig artikel 54 van datzelfde decreet.
top

Art. 3.2 De verplichtingen van de gemeente hiertoe zijn:
1° ze moet beschikken over een proces-verbaal dat op basis van artikel 12 werd opgemaakt;
2° indien ze optreedt lastens een bekende persoon, een proces-verbaal van hoorzitting en een besluit ambtshalve verwijdering dat op basis van artikel 54 werd opgemaakt en waar geen beroepsprocedure over hangende is;
3° ze laat de partij in kwestie overeenkomstig de terzake doende wetgeving, inclusief de wetgeving op de overheidsopdrachten, opruimen en verzoekt per delictgeval afzonderlijk om de verwerkingsattesten en de factuur;
4° ze bezorgt per delictgeval, het attest van klachtneerlegging, het proces-verbaal-nummer met vermelding van de naam van de instantie die het proces-verbaal heeft opgesteld, de documenten verbonden aan de opdracht, met inbegrip van de verwijderingsattesten en de daarbijbehorende facturen, aan de OVAM;
5° ingeval de gemeente optreedt lastens een onbekende persoon, informeert ze de OVAM zodra ze kennis heeft van gegevens in verband met de identiteit van de overtreder van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet met het oog op een terugvorderingprocedure lastens de overtreder;
6° ingeval de gemeente optreedt lastens een bekende persoon, voert ze de terugvorderingsprocedure lastens de bekende overtreder overeenkomstig de wettelijke bepalingen en met toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur;
7° ingeval van inning van boetes of ontvangsten uit de terugvorderingsprocedure lastens de bekende overtreder, betaalt ze dit deel van de subsidie terug aan de OVAM.
Art. 3.3 De verplichtingen van de Vlaamse Overheid zijn de volgende:
1° overeenkomstig de wettelijke bepalingen terzake verifieert de OVAM de overgemaakte gegevens en vergoedt de gemeente overeenkomstig de ingediende facturen;
2° overeenkomstig de wettelijke bepalingen en met toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur voert de OVAM de terugvorderingsprocedure lastens de vermeende of onbekende overtreder
in geval de gemeente optrad lastens een onbekende persoon.
2.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 Voor het thema afval kan de gemeente opteren om een of meerdere van de volgende acties of maatregelen uit te voeren zoals opgenomen in dit artikel. Elk van deze acties en maatregelen worden uitgevoerd binnen het kader van het Vlaamse afvalstoffenbeleid. Elke goed uitgevoerde actie of maatregel levert het vermelde puntenaantal op voor het jaar waarin deze actie of maatregel uitgevoerd werd.
Art. 1.1 Mogelijke acties en maatregelen met betrekking tot afvalpreventie en hergebruik:
- de gemeente ondersteunt de compostmeesterwerking in haar gemeente overeenkomstig het vigerende Uitvoeringsplan voor huishoudelijke afvalstoffen;
- de gemeente richt een demonstratieplaats thuiscomposteren in en ondersteunt de uitbating;
- de gemeente voert een actieve sensibilisatieactie uit om afvalpreventie te stimuleren voor minstens 1 afvalstof;
- de gemeente stelt een reglement herbruikbare luiers op en voert dit uit;
- de gemeente stelt een reglement afvalarme evenementen op en voert dit uit;
- de gemeente voert een brooddozen- of drinkbussenactie uit;
- de gemeente voert een afvalarm winkelen campagne uit;
- de gemeente stimuleert het gebruik van herbruikbare bekers.
top

Art. 1.2 Mogelijke acties en maatregelen met betrekking tot selectieve inzameling
- de gemeente sluit een overeenkomst met een of meerdere erkende overbrengers in verband met de inzameling van textielafval op haar grondgebied;
- de gemeente laat de ruimingsspecie, die niet voldoet aan de voorwaarden voor hergebruik, verwerken in een vergunde inrichting en toont dit aan met verwerkingsattesten;
- de gemeente stelt een bermbeheersplan op met minstens een luik "afval" waarin de afvoer en verwerking van het bermmaaisel duidelijk omschreven worden;
- de gemeente rapporteert aan de OVAM de afgevoerde hoeveelheden bedrijfsafvalstoffen afkomstig van de eigen gemeentelijke diensten, in het bijzonder bermmaaisel, ruimingsspecie, veegvuil, steenpuin, grond en rioolkolkenslib;
- de gemeente richt een centrale inzamelplaats in voor dierlijk afval afkomstig van particulieren en zorgt voor de uitbating ervan;
- de gemeente sensibiliseert de bedrijven gevestigd in de gemeente over de sorteerverplichtingen voor bedrijfsafvalstoffen;
- de gemeente aanvaardt de gesorteerde vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen op het containerpark onder marktconforme voorwaarden;
- de gemeente organiseert de selectieve inzameling van wegwerpluiers overeenkomstig de bepalingen van het vigerende Uitvoeringsplan voor huishoudelijke afvalstoffen en voert het luierafval af voor recyclage.
Art. 1.3 Mogelijke doelstellingen met betrekking tot restafval
De gemeente realiseert een reductie van de hoeveelheid restafval tot een van de volgende taakstellingen:
- tot maximaal 165 kg per inwoner of minder;
- tot maximaal 150 kg per inwoner of minder.
Art. 1.4 Mogelijke acties en maatregelen met betrekking tot illegaal ontwijkgedrag
- de gemeente organiseert een zwerfvuilopruimactie op haar grondgebied binnen het kader van "in de vuilbak";
- de gemeente stelt voor het eigen grondgebied een doordacht beleid op voor het plaatsen en het beheer van straatvuilbakjes en voert dit uit;
- de gemeente registreert en rapporteert gedetailleerd aan de OVAM de afgevoerde hoeveelheden van alle afvalstoffen die behoren tot het gemeentevuil, zoals zwerfvuil, afval uit de straatvuilbakjes, sluikstorten, straat- en veegvuil, e.d. ;
- de gemeente organiseert en registreert regelmatige controles om illegaal ontwijkgedrag, zoals sluikstorten en sluikverbranden, op te sporen;
- de gemeente voert controleacties uit om ervoor te zorgen dat alle gezinnen hun huisvuil meegegeven aan de door de gemeente aangestelde ophaaldienst.
top

2.4 Projecten
2.4.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan binnen het kader van het Vlaamse afvalstoffenbeleid een project uitvoeren.
Het project stimuleert afvalpreventie, hergebruik en/of selectieve inzameling van huishoudelijke afvalstoffen of het flankerend beleid hierbij. Hiervoor kan de gemeente een van de volgende projecten uitvoeren:
- aanpak van de selectieve inzameling van huishoudelijke afvalstoffen in een probleemwijk;
- aanpak van problemen rond bepaalde huishoudelijke afvalstoffen in de gemeente;
- doelgroepenwerking ten aanzien van de scholen rond afvalpreventie, hergebruik en selectieve inzameling;
- doelgroepenwerking ten aanzien van een welbepaalde doelgroep rond afvalpreventie, hergebruik en selectieve inzameling;
- een zwerfvuilproject dat aandacht heeft voor het voorkomen en het opruimen van zwerfvuil en de handhaving binnen het kader van "in de vuilbak";
- een project waarbij de gemeente samenwerkt met intermediairen van bedrijven en zelfstandige ondernemers rond vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen;
- een project voor versnelde inzameling van afgedankte asbestcementtoepassingen bij particulieren zoals hieronder omschreven;
- een eigen projectvoorstel.
Het project voor de versnelde inzameling van afgedankte asbestcementtoepassingen moet aan volgende eisen voldoen:
- beschikken over een gescheiden inzameling van hechtgebonden asbesttoepassingen in het containerpark;
- het voeren van een informatiecampagne naar een veilig omgaan met hechtgebonden asbesttoepassingen door particulieren;
- het voeren van een uitgebreide communicatiecampagne naar alle inwoners met betrekking tot dit project;
- het gratis inzamelen van hechtgebonden asbesttoepassingen bij particulieren bestaande uit zowel een brengmethode als een haalmethode. De ophaling (methode) moet huis-aan-huis gebeuren;
- het verwerken van het ingezamelde hechtgebonden asbesthoudend afval.
2.4.2 Criteria beoordeling
Art. 1 Bij de beoordeling van het projectvoorstel en de uitvoering ervan worden volgende criteria gehanteerd die nader omschreven worden door de gemeente in het projectvoorstel:
- de overeenstemming van de projectdoelstellingen met het vigerende Vlaamse afvalstoffenbeleid op het vlak van afvalpreventie, hergebruik en selectieve inzameling of het flankerende beleid;
- de te bereiken resultaten op het vlak van afvalpreventie, hergebruik en/of selectieve inzameling.
top

3. Thema Milieuverantwoord productgebruik
3.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente werkt mee aan de uitvoering van het Vlaamse beleid rond milieuverantwoord productgebruik binnen de eigen gemeentelijke diensten. Daarnaast onderneemt de gemeente ook initiatieven voor de inwoners. De gemeente streeft hierbij naar een coherent beleid rond milieuverantwoord productgebruik.
3.2 Basis
Art. 1 De gemeente implementeert milieuverantwoord productgebruik binnen de werking van de eigen gemeentelijke diensten.
De gemeente implementeert het gebruik van duurzaam geëxploiteerd hout in de werking van de eigen gemeentelijke diensten. De gemeente neemt standaard in elk bestek voor de aankoop van hout en houtproducten het standaardbestekvoorschrift duurzaam geëxploiteerd hout op. De Vlaamse Overheid stelt dit standaardbestekvoorschrift ter beschikking van de gemeenten. De gemeente neemt het gebruik van gekeurd breekpuin op in de bestekken.
Art. 2 Passieve sensibilisatie.
De gemeente voert een passieve sensibilisatie over het milieuverantwoord productgebruik van een of meerdere van de volgende producten : duurzaam geëxploiteerd hout, compost, breekpuin, materialen uit gerecycleerde kunststoffen, kantoormaterialen, cateringproducten, biologische producten, schoonmaakmiddelen, houtverduurzamingsmiddelen, verven en vernissen.
3.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 De gemeente implementeert het milieuverantwoord productgebruik binnen de werking van de eigen diensten en ze stimuleert het milieuverantwoord productgebruik bij de burgers. De gemeente kan een of meerdere van de volgende acties of maatregelen uitvoeren zoals opgenomen in dit artikel. Elk van deze acties en maatregelen worden uitgevoerd binnen het kader van het Vlaamse beleid voor milieuverantwoord productgebruik. Elke goed uitgevoerde actie of maatregel levert het vermelde puntenaantal op voor het jaar waarin deze actie of maatregel uitgevoerd werd.
Art. 1.1 Mogelijke acties en maatregelen met betrekking tot het milieuverantwoord productgebruik binnen de eigen gemeentelijke diensten:
- de gemeente gebruikt compost met Vlaco-label of gelijkwaardig;
- de gemeente gebruikt gekeurd breekpuin ter vervanging van nieuwe materialen;
- de gemeente gebruikt milieuverantwoorde materialen uit gerecycleerde kunststoffen;
- de gemeente gebruikt milieuverantwoorde kantoormaterialen;
- de gemeente gebruikt milieuverantwoorde cateringproducten;
- de gemeente gebruikt biologische producten;
- de gemeente gebruikt milieuverantwoorde schoonmaakmiddelen;
- de gemeente gebruikt milieuverantwoorde houtverduurzamingsmiddelen;
- de gemeente gebruikt milieuverantwoorde verven en vernissen;
- de gemeente gebruikt producten uit erkende kringloopcentra.
In overleg met de gemeenten en de Vlaamse Overheid kan de keuzelijst van producten verder uitgebreid worden, voor zover de Vlaamse Overheid reeds een milieuverantwoorde beleidskeuze voor deze producten heeft uitgewerkt. De gemeente gebruikt voor de opvolging van haar acties en maatregelen met betrekking tot het milieuverantwoord productgebruik binnen de eigen gemeentelijke diensten het berekeningsmodel milieuverantwoord productgebruik dat door de OVAM ter beschikking gesteld wordt.
top

Art. 1.2 Mogelijke acties en maatregelen met betrekking tot het stimuleren van milieuverantwoord productgebruik bij de burgers:
- de gemeente voert een actieve sensibilisatie over het milieuverantwoord productgebruik van een of meerdere van de volgende producten : duurzaam geëxploiteerd hout, compost, breekpuin, materialen uit gerecycleerde kunststoffen, kantoormaterialen, cateringproducten, biologische producten, schoonmaakmiddelen, houtverduurzamingsmiddelen, verven en vernissen;
- de gemeente stimuleert via actieve sensibilisatie het milieuverantwoord materiaalgebruik voor meerdere producten bij de bouw of renovatie van gebouwen;
- de gemeente stimuleert via actieve sensibilisatie het milieuverantwoord productgebruik van cateringproducten en biologische producten bij (groot)keukens in instellingen zoals scholen, rusthuizen, ziekenhuizen, OCMW's en andere sociale centra;
- de gemeente stimuleert bij de uitvoering van gemeentelijke werken met duurzaam geëxploiteerd hout de aannemers/onderaannemers/leveranciers om een Chain of Custody certificering aan te vragen.
3.4 Projecten
3.4.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan binnen het kader van het Vlaamse beleid rond milieuverantwoord productgebruik een project uitvoeren.
Het project stimuleert milieuverantwoord productgebruik. Hiervoor kan de gemeente een van de volgende projecten uitvoeren:
- een geïntegreerd sensibilisatieproject rond het milieuverantwoord productgebruik binnen het concept van bijvoorbeeld duurzaam wonen en bouwen, ecologische kringlooptuinieren of de consumptie van milieuverantwoorde cateringproducten en biologische producten;
- een project dat kadert in het Uitvoeringsplan Milieuverantwoord materiaalgebruik en afvalbeheer in de bouw;
- de gemeente voert een doelgroepenwerking uit over het milieuverantwoord productgebruik van een of meerdere van de volgende producten : duurzaam geëxploiteerd hout, compost, breekpuin, materialen uit gerecycleerde kunststoffen, kantoormaterialen, cateringproducten, biologische producten, schoonmaakmiddelen, houtverduurzamingsmiddelen, verven en vernissen. Deze doelgroepenwerking is gericht op minstens een specifieke doelgroep waarmee de gemeente samenwerkt;
- een eigen projectvoorstel.
3.4.2 Criteria beoordeling
Art. 1 Bij de beoordeling van het projectvoorstel en de uitvoering ervan worden volgende criteria gehanteerd die nader omschreven worden door de gemeente in het projectvoorstel:
- de overeenstemming van de projectdoelstellingen met het vigerende Vlaamse beleid op het vlak van milieuverantwoord productgebruik;
- de te bereiken resultaten op het vlak van milieuverantwoord productgebruik.
top

4. Thema Water
4.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente onderschrijft de doelstellingen en beginselen van het decreet integraal waterbeleid, zoals opgenomen onder artikels 5 en 6 van het decreet integraal waterbeleid en de doelstellingen van het pesticidenreductiedecreet en haar uitvoeringsbesluit.
De gemeente voert acties uit van het deelbekkenbeheerplan, ze voert projecten uit en ondersteunt brongerichte maatregelen zoals hergebruik en infiltratie van hemelwater bij haar inwoners.
4.2 Basis
Art. 1 Pesticidenreductie
Art. 1.1 Risico-evaluatie
De gemeente dringt het gebruik van bestrijdingsmiddelen terug en voert een risico-evaluatie door zoals bepaald in het uitvoeringsbesluit van 14 juli 2004. Dit gebeurt aan de hand van de lijst met gedoogde producten die de Vlaamse Overheid jaarlijks aanpast en publiceert op www.zonderisgezonder.be. Restanten van niet-gedoogde producten mag men opgebruiken tot maximum één jaar nadat deze de eerste keer als niet-gedoogd werden geklasseerd.
Art. 1.2 Pesticidentoets
De pesticidentoets bepaalt waaraan elke (her)aanleg of omvorming van het openbaar domein dient te voldoen, zodat deze gebeurt met het oog op onkruidpreventie of een efficiëntere bestrijding toelaat met bestaande niet-chemische methoden. De gemeente voert de pesticidentoets uit zoals bepaald in het uitvoeringsbesluit van (datum nog niet gekend – nog in voorstelfase). De Vlaamse Milieumaatschappij stelt het instrument ter beschikking voor de uitvoering van de pesticidentoets vanaf 1 januari 2009.
Art. 2 Passieve sensibilisatie
De gemeente voert een passieve sensibilisatieactie uit met betrekking tot rationeel watergebruik en/of bestrijdingsmiddelen.
4.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 Het beleid is vastgelegd in de deelbekkenbeheerplannen. Voor het thema Water worden daarom geen acties voorzien.
top

4.4 Projecten
4.4.1 Projecten integraal waterbeheer gerealiseerd door gemeente
4.4.1.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan een subsidieaanvraag indienen voor de werken hieronder beschreven onder 1° tot 8°. De werken moeten gerealiseerd worden met maximale toepassing van de principes van natuurtechnische milieubouw.
1° De aanleg van overstromingsgebieden die noodzakelijk zijn:
- voor de duidelijke vertraging van de afvoer van oppervlaktewater en hemelwater naar de waterlopen;
- voor de instandhouding, ontwikkeling en herstel van de natuur en het natuurlijk milieu;
- om lokale wateroverlast voor bestaande bebouwing langs waterlopen waarvoor de gemeente bevoegd is, te beperken.
2° Ingrepen in of op waterlopen waarvoor de gemeente bevoegd is, nodig om de risico's op overstromingen die de veiligheid kunnen aantasten terug te dringen.
3° Ecologische inrichtingswerken aan waterlopen in beheer van de gemeente, zoals de aanleg van visdoorgangen, werken die het meanderend karakter verhogen, aanleg van natuurvriendelijke oevers, de aanleg van een zand- en/of slibvang;
4° Werken ter voorkoming van diffuse verontreiniging naar het watersysteem:
- de aanleg van een koolwaterstofafscheider en bijhorende slibvang als voorzuivering voor afspoelend hemelwater van bestaande intensief gebruikte wegen en parkings;
- een aanpassing van de inrichting van één groenzone(s) of meerdere kleine groenzones met een maximale totale oppervlakte van 1 ha/jaar teneinde een nulgebruik te bekomen zoals bepaald in het pesticidendecreet.
5° Aanleggen van gemeenschappelijke infiltratievoorzieningen indien niet verplicht opgelegd volgens de gewestelijke stedenbouwkundige verordening;
6° Ingrepen die infiltratie en bufferend vermogen van het grachtenstelsel voor hemelwater verhogen en die niet worden gesubsidieerd i.k.v. het RIO-besluit.
7° Aanleg van wachtbekkens en bufferbekkens voor de watervoorziening aan de landbouw, met het oog op het voorkomen van overstromingen, het vermijden van erosie door afspoeling of het realiseren van een meerwaarde op ecologisch gebied.
4.4.1.2 Beoordelingscriteria
Art. 1 Criterium voor de beoordeling van de subsidieaanvragen voor de werken beschreven onder 4.4.1.1 is het inpasbaar zijn van de werken in een planmatige aanpak voor integraal waterbeheer in het gebied (kaderen in bekkenbeheerplan), waarbij belangrijk zijn:
- mate waarin de risico’s voor overstromingen worden teruggedrongen;
- impact op de ecologische toestand van het watersysteem;
- impact op het verhogen van infiltratie, berging en vertraagde afvoer van hemelwater;
- mate waarin diffuse verontreiniging wordt beperkt of voorkomen;
- mate waarin bodemerosie en sedimenttransport naar de waterloop worden beperkt.
Het advies van het waterschap wordt mee in overweging genomen bij de beoordeling van de subsidieaanvragen.
top

4.4.2 Terugbetaling gemeentelijke premies aan particulieren voor hemelwaterinstallaties en infiltratievoorzieningen
4.4.2.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan een subsidieaanvraag indienen voor de terugbetaling van gemeentelijke premies verleend voor de bouw van:
1° hemelwaterinstallaties;
2° infiltratievoorzieningen.
4.4.2.2 Beoordelingscriteria en subsidiebedragen
Art. 1 De gewestelijke subsidie voor de aanleg van hemelwaterinstallaties of infiltratievoorzieningen is een gedeeltelijke terugbetaling aan de gemeente van de gemeentelijke premie verleend in het kader van een gemeentelijk premiereglement inzake hemelwaterinstallaties of infiltratievoorzieningen gebouwd door particulieren.
Dezelfde terugbetaling geldt ook voor dezelfde voorzieningen voor gemeentelijke gebouwen of lokalen.
Een gemeente die aan derden subsidies uitkeert voor de aanleg van een hemelwaterinstallatie of een infiltratievoorziening, kan hiervoor een subsidie ontvangen van de Vlaamse Overheid, op voorwaarde dat het gemeentelijke subsidiereglement voorgelegd wordt en goedgekeurd wordt door de Vlaamse Overheid;
Gemeenten die beschikken over een goedgekeurd subsidiereglement uit de SO 2002-2007, moeten het reglement aanpassen op basis van onderstaande bepalingen. De gemeente maakt het aangepaste reglement en de goedkeuring door de gemeenteraad over aan de Vlaamse Overheid. De aanpassing moet gebeuren voor 1 januari 2009.
De Vlaamse overheid wordt in kennis gesteld van iedere wijziging van het subsidiereglement.
Voor het jaar 2008 geldt dat:
- het bestaande premiereglement kan gelden voor de basis voor subsidieaanvraag;
- de gemeente de verkregen subsidie doorstort aan de particulier.
Art. 1.1 Voorwaarden hemelwaterinstallaties
De Vlaamse Overheid verleent een subsidie van 250 EUR voor de aanleg van een hemelwaterinstallatie aan de gemeente, indien voldaan is aan volgende voorwaarden:
De hemelwaterinstallatie werd aangelegd bij woningen of lokalen waarvoor een bouwvergunning verkregen is hetzij vóór 7 september 1999, hetzij vóór de datum van inwerkingtreden van een gemeentelijke verordening die de aanleg van hemelwaterputten bij nieuwbouw verplicht indien deze reeds vóór 7 september 1999 van toepassing was;
- de hemelwaterinstallatie is na 1 januari 2008 gebouwd volgens, of is na 1 januari 2008 in overeenstemming gebracht met de technische voorschriften van de code van goede praktijk voor hemelwaterputten en infiltratievoorzieningen en voldoet eveneens aan de technische voorschriften van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater van 1 oktober 2004;
- er werd door de gemeente een subsidie van minimum 500 EUR uitbetaald in het kader van een gemeentelijk premiereglement voor de aanleg van hemelwaterinstallaties;
- de bouw van de hemelwaterinstallatie is niet verplicht volgens de gewestelijke stedenbouwkundige verordening.
Art. 1.2 Voorwaarden infiltratievoorzieningen
De Vlaamse Overheid verleent een subsidie van 250 EUR voor de aanleg van een infiltratievoorziening voor niet-verontreinigd hemelwater indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
- het gaat om de aanleg van een infiltratievoorziening bij woningen of lokalen waarvoor een bouwvergunning is verkregen voor 1 februari 2005;
- er werd door de gemeente een subsidie van minimum 500 EUR uitbetaald in het kader van een gemeentelijk premiereglement voor de aanleg van infiltratievoorzieningen;
- de infiltratievoorziening is gebouwd na 1 januari 2008 volgens de technische voorschriften van de code van goede praktijk voor hemelwaterputten en infiltratievoorzieningen én voldoet in tweede instantie aan de technische voorschriften van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater van 1 oktober 2004;
- de bouw van de infiltratievoorziening is niet verplicht volgens de gewestelijke stedenbouwkundige verordening.
top

5. Thema Hinder
5.1 Doelstellingen
De gemeente verbindt er zich toe een beleid te voeren dat erop gericht is om de milieuhinder (geur, geluid, licht, stof, rook en/of roet) die zich voordoet op haar grondgebied te beheersen en zo mogelijk in te perken.
Hiertoe besteedt de gemeente aandacht aan volgende concrete doelstellingen:
¬op een gestandaardiseerde manier opvolgen en inventariseren van milieuhinder;
stimuleren van verantwoord gedrag van haar burgers en bedrijven via doelgerichte sensibilisatiecampagnes in verband met de beheersing van milieuhinder;
zelf een verantwoord gedrag aan de dag leggen in verband met de beheersing van milieuhinder voor activiteiten die de gemeente in eigen beheer organiseert of exploiteert;
efficiënt en effectief optreden bij vaststelling van milieuhinder;
voorkomen van milieuhinder door het gebruik van het instrumentarium van de ruimtelijke ordening.
5.2 Basis
Art. 1 Digitaal opvolgen van milieuklachten
De gemeente volgt klachten over milieuhinder op via MKROS of via een eigen digitaal dossieropvolgingssysteem. De stappen die worden ondernomen in de loop van de behandeling van een klacht, worden gestructureerd geregistreerd. Klagers en vermoedelijke veroorzakers worden op de hoogte gehouden van de ondernomen stappen; andere belanghebbende diensten worden in kennis gesteld; klachten worden doorgestuurd voor verdere behandeling naar de bevoegde instantie. In MKROS is hiertoe een opvolgingsmodule voorzien.
Art. 2 Passieve sensibilisatie rond hinder
De gemeente onderneemt passieve sensibilisatie m.b.t. verschillende milieuhinderthema's (geluids-, geur-, stof-, rook- en lichthinder).
top

5.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 Doorlichting van de hinderklachten
Art. 1.1 Analyseren en rapporteren van hinderklachten
Jaarlijks analyseert de gemeente de geregistreerde hinderklachten. Indien zij de hinderklachten invoert in MKROS, kan zij hiervoor onder meer gebruik maken van de rapporteringsmodule die hierbinnen voorzien is. De analyse kan bestaan uit frequentietabellen, grafieken die een welbepaalde problematiek illustreren (in functie van de aard van de problematiek), grafische weergave van knelpuntgebied(en), enz.
De Vlaamse Overheid voorziet in een handleiding die de gemeente kan ondersteunen bij het analyseren van hinderklachten.
Art. 1.2 Analyse van de opvolging van hinderklachten (opvolgingsmodule MKROS)
Jaarlijks analyseert de gemeente de opvolging van hinderklachten. Indien zij hinderklachten invoert in MKROS, kan zij hiervoor gebruik maken van de opvolgings- en rapporteringsmodule die hierbinnen voorzien zijn. Deze analyse resulteert in een toelichting over de wijze waarop en het succes waarmee hinderklachten worden behandeld.
Art. 2 Beleidskader geluidshinder
Art. 2.1 Opstellen geluidshinderreglement
De gemeente stelt een politiereglement betreffende de bestrijding van geluidshinder in of neemt de bepalingen uit het typereglement betreffende de bestrijding van geluidshinder dat door de Vlaamse Overheid wordt ter beschikking gesteld op in het algemeen gemeentelijk politiereglement. De gemeente communiceert jaarlijks over het geluidshinderreglement naar de gepaste doelgroepen.
Art. 2.2 Opleiding geluid meten en beoordelen
Tenminste één gemeentelijke ambtenaar die instaat voor de behandeling van geluidsklachten volgt een opleiding voor het uitvoeren van geluidsmetingen en de beoordeling van de geluidsniveaus. Een lijst met opleidingen die in aanmerking komen is terug te vinden in bijlage HI 01 bij de contracttekst. Andere opleidingen komen in aanmerking na goedkeuring door de dienst Hinder en Risicobeheer.
top

Art. 3 Beleidskader geurhinder
Art. 3.1 Opstellen geurhinderreglement
De gemeente stelt een politiereglement betreffende de bestrijding van geurhinder in of neemt de bepalingen uit het typereglement betreffende de bestrijding van geurhinder dat door de Vlaamse Overheid wordt ter beschikking gesteld op in het algemeen gemeentelijk politiereglement. De gemeente communiceert jaarlijks over het geurhinderreglement naar de gepaste doelgroepen.
Art. 3.2 Opleiding geur meten en beoordelen
Tenminste één gemeentelijke ambtenaar die instaat voor de behandeling van geurklachten volgt een opleiding voor het uitvoeren van geurmetingen en de beoordeling van geurwaarnemingen. Een lijst met opleidingen die in aanmerking komen is terug te vinden in bijlage HI 01 bij de contracttekst. Andere opleidingen komen in aanmerking na goedkeuring door de dienst Hinder en Risicobeheer.
Art. 4 Opstellen lichthinderreglement
De gemeente stelt een politiereglement betreffende de bestrijding van lichthinder in of neemt de bepalingen uit het typereglement betreffende de bestrijding van lichthinder dat door de Vlaamse Overheid wordt ter beschikking gesteld op in het algemeen gemeentelijk politiereglement. De gemeente communiceert jaarlijks over het lichthinderreglement naar de gepaste doelgroepen.
Art. 5 Actieve sensibilisatie
De gemeente onderneemt een doelgerichte actieve sensibilisatiecampagne in verband met de bestrijding van milieuhinder (geluids-, geur-, stof-, rook- en lichthinder).
Art. 6 Opstellen van een handhavingsbeleid rond hinder die niet gerelateerd is aan als hinderlijk ingedeelde inrichtingen
De gemeente ontwikkelt een beleid voor de handhaving van milieuhinder die niet is gerelateerd aan als hinderlijk ingedeelde inrichtingen. Op basis van de analyse van (de opvolging van) meldingen van milieuhinder bepaalt de gemeente de prioriteiten voor handhaving. De gemeente stelt vervolgens een programma op waarbij zij voor de milieuhinderknelpunten een planmatige handhaving uitwerkt.
Deze actie richt zich met nadruk op de niet als hinderlijk ingedeelde inrichtingen, maar kan uiteraard worden ingepast in een overkoepelend milieuhandhavingsprogramma.
De gemeente voorziet in haar handhavingsbeleid niet enkel in een repressieve aanpak, maar onderneemt evenzeer preventieve sectorale of themagerichte acties ter bestrijding van milieuhinder. Hiertoe communiceert de gemeente haar handhavingsbeleid naar de aanbelangende doelgroepen.
De Vlaamse Overheid voorziet in een handleiding die de gemeente kan ondersteunen bij het vormgeven van het gemeentelijk handhavingsbeleid voor milieuhinder die niet is gerelateerd aan hinderlijke inrichtingen.
top

Art. 7 Opstellen en bijhouden van een hinderinventaris
De gemeente stelt een inventaris van alle milieuhinder op. De inventaris dekt het volledige grondgebied van de gemeente en bevat zowel de klachten als potentiële en feitelijke hinder.
De potentiële hinder wordt berekend op basis van de blootstelling en een inschatting van de hinder die ontstaat bij die blootstelling. Bij het bepalen van de potentiële hinder worden alle subjectieve factoren buiten beschouwing gelaten, waardoor de invloed van de tijdsgeest op de gerapporteerde hinder kan worden geëlimineerd.
De feitelijke hinder kan enkel worden afgeleid uit bevragingen of hinderenquêtes.
Om het overzicht te bewaren stelt de gemeente de hinderbelasting ruimtelijk voor met behulp van een GIS-toepassing op een kaart.
De gemeente voert een analyse uit op de inventaris. Op basis van het kaartmateriaal, de frequentietabellen en grafieken maakt de gemeente een overzicht van de probleemgebieden binnen de gemeente, of/en welke sectoren of activiteiten voor de meeste wrevel zorgen en wat hiervan de oorzaak is.
Eens de knelpunten bekend zijn bepaalt de gemeente haar doelstellingen om aan deze knelpunten te verhelpen. De doelstellingen kunnen, afhankelijk van de knelpunten binnen de gemeente, gericht zijn naar bepaalde hinderbronnen, bedrijfssectoren, bronnenclusters, bronnencomplexen of naar bepaalde typen van hinder (geluids-, geur-, stof-, rook- en lichthinder).
Tot slot gaat de gemeente na welke stappen (acties) noodzakelijk zijn om de doelstellingen te bereiken. Afhankelijk van de doelstellingen die de gemeente voor ogen heeft kunnen deze acties gericht zijn naar bepaalde hinderbronnen, bronnenclusters, bronnencomplexen of vormen van hinder. De acties hoeven niet steeds repressief te zijn maar kunnen ook preventief werken.
top

5.4 Projecten
5.4.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan binnen het kader van het Vlaamse milieubeleid een project uitvoeren.
Het project vermindert de hinder of het aantal gehinderden door de integratie van milieuhinder in het beleid inzake ruimtelijke ordening en verkeer, sensibilisatie van bepaalde doelgroepen rond de hinderproblematiek, de handhaving van milieuhinder en/of het opzetten van beleidsonderbouwend onderzoek inzake milieuhinder (enquêtering, meten en berekenen, inventarisatie, etc.).
Onder 1°-4° worden mogelijke projecten aangegeven waarvoor een subsidieaanvraag kan worden ingediend.
1° Projecten waarin maatregelen zijn opgenomen die de doorwerking van beleid inzake milieuhinder in het ruimtelijke ordeningsbeleid beogen
1°1 Milieuaspecten integreren in bestemmingsplannen en/of andere planologische instrumenten
Naast het instrumentarium van het milieubeleid (milieuvergunningen, milieueffectrapportage voor projecten en plannen of programma’s, milieuhandhaving,...) kunnen planologische of andere instrumenten van de ruimtelijke ordening eveneens efficiënt bijdragen tot het voorkomen van milieuhinder (bijv. van bedrijfsterreinen ten opzichte van omliggende woonzones). De gemeente kan expliciet deze instrumenten aanwenden in haar beleid inzake milieuhinder en in dit kader specifieke projecten uitvoeren.
In uitvoering van het plan MINA3+ wordt een onderzoek opgestart inzake de mogelijkheden en een werkbare methode om de principes van milieuzonering (bijv. inzake hinderlijke inrichtingen op bedrijventerreinen) op te nemen binnen het instrumentarium van de ruimtelijke ordening, met de bedoeling om de milieuhinder naar bijvoorbeeld omliggende woonzones te beperken. Zodra de resultaten van dit onderzoek beschikbaar zijn, kan de gemeente ook projecten opstarten die deze methodiek opnemen binnen de hier bedoelde projecten gericht op ruimtelijke ordeningsprocessen en -plannen.
1°2 Opstellen van stedenbouwkundige verordeningen die bijdragen aan een betere milieukwaliteit
Concretiseren van artikel 54/55 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.
2° Terugdringen van hinder in eigen beheer
De milieuhinder die in eigen beheer kan worden teruggedrongen, wordt aangepakt.
3° Specifieke handhavingscampagnes
De gemeente speelt in op het aanbod van Vlaamse Overheid – afdeling Milieu-inspectie.
4° Stiltegebieden
Een gemeente voert binnen het stiltegebied een aantal concrete maatregelen uit om de stilte in het gebied te bevorderen. In de brochure ‘Leidraad bij het creëren van een landelijk stiltegebied’ wordt een overzicht gegeven van mogelijke maatregelen. Andere maatregelen kunnen na evaluatie door de dienst Hinder en Risicobeheer ook in aanmerking komen.
Art. 1 Bij de beoordeling van het projectvoorstel en de uitvoering ervan worden volgende criteria gehanteerd die nader omschreven worden door de gemeente in het projectvoorstel:
Algemeen
- de overeenstemming van de projectdoelstellingen met het Vlaamse milieubeleid;
- de te bereiken resultaten op het vlak van het terugdringen van milieuhinder.
Specifieke criteria met betrekking tot de hierboven aangehaalde voorbeeldprojecten
1° Projecten waarin maatregelen zijn opgenomen die de doorwerking van beleid inzake milieuhinder in het ruimtelijke ordeningsbeleid beogen
1°1 Milieuaspecten integreren in bestemmingsplannen en/of andere planologische instrumenten
1°2 Opstellen van stedenbouwkundige verordeningen die bijdragen aan een betere milieukwaliteit
- artikel 54/55 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.
2° Terugdringen van hinder in eigen beheer
geen louter sensibiliserende actie (bijv. Nacht van de Duisternis).
3° Specifieke handhavingscampagnes
opname van milieuhinderthema’s (geluids-, geur-, stof-, rook- en lichthinder) binnen de handhavingscampagnes.
4° Stiltegebieden
- behalen kwaliteitslabel stiltegebied;
- project bevordert de stilte in het gebied;
- maatregelen opgenomen in brochure ‘Leidraad bij het creëren van een landelijk stiltegebied’;
- andere maatregelen te evalueren.
top

6. Thema Energie
6.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente draagt via haar energiebeleid bij aan de realisatie van de Vlaamse Kyotodoelstelling op een sociaal en economisch verantwoorde manier. Zij realiseert een breed maatschappelijk draagvlak voor rationeel energiegebruik en hernieuwbare energie. Zij vervult een belangrijke sturende, stimulerende en voorbeeldrol waarbij de principes van duurzaam energiegebruik centraal staan.
De gemeente zal hiertoe:
op een gestandaardiseerde manier de verschillende energiestromen binnen de gemeente inventariseren en opvolgen;
energiebesparingsmaatregelen uitvoeren en toepassingen op hernieuwbare energie plaatsen ten einde de CO2-uitstoot te verminderen;
aandacht besteden aan energie-efficiëntie in de gemeentelijke lastenboeken;
energiezuinig gedrag van burgers en andere doelgroepen stimuleren via doelgerichte sensibilisatiecampagnes over rationeel energiegebruik en hernieuwbare energie.
6.2 Basis
Art. 1 Meewerken aan de implementatie van de energieprestatieregelgeving door aan te sluiten op het elektronische opvolgsysteem voor bouwaanvragen
De Energieprestatiedatabank heeft als doel de gegevens van de stedenbouwkundige vergunningen van bouwprojecten, elektronisch door te sturen naar en centraal te laten beheren door het Vlaams Energieagentschap.
Maandelijks zendt de gemeente als vergunningverlenende overheid digitale informatie naar de Energieprestatiedatabank met daarin een aantal administratieve gegevens en energieprestatiedossiernummers van:
de werkzaamheden die in de afgelopen maand (maand x) vergund werden;
de werkzaamheden die de afgelopen maand (maand x) geschorst, geweigerd of vernietigd werden.
Art. 2 Uitvoeren van een energieboekhouding
De gemeente zet een energieboekhouding op voor gemeentelijke entiteiten.
Deze energieboekhouding omvat:
alle publieke gebouwen met een oppervlakte groter dan 1000 m² waarvoor een energieprestatiecertificaat moet worden opgesteld;
minimum 1 entiteit per aangesneden schijf van 6000 inwoners. Indien dit minimum niet wordt bereikt met alle publieke gebouwen met een oppervlakte groter dan 1000 m², wordt de energieboekhouding uitgebreid tot het minimum van 1 entiteit per schijf van 6000 inwoners wordt bereikt. Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan de entiteiten met een jaarlijks elektriciteitsverbruik boven de 17.000 kWh of een jaarlijks warmteverbruik hoger dan 50.000 kWh (50.000 kWh verwarming komt overeen met 180 GJ of ongeveer 5000 m³ gas) vertrekkende van de meest energie-intensieve. Gemeenten met minder dan 6000 inwoners boekhouden minstens 1 entiteit.
Art. 3 Passieve sensibilisatie
De gemeente onderneemt een passieve sensibilisatieactie naar de burgers of andere doelgroepen toe over duurzaam energiegebruik (REG en hernieuwbare energie).
top

6.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 Uitbreiden van de energieboekhouding naar andere entiteiten
De gemeente breidt de energieboekhouding uit met een minimum van 1 entiteit per aangesneden schijf van 6000 inwoners. Bij de uitbreiding van de energieboekhouding wordt de voorkeur gegeven aan alle entiteiten met een jaarlijks elektriciteitsverbruik boven de 17.000 kWh of een jaarlijks warmteverbruik hoger dan 50.000 kWh (50.000 kWh verwarming komt overeen met 180 GJ of ongeveer 5000 m³ gas) vertrekkende van de meest energie-intensieve. Gemeenten met minder dan 6000 inwoners breiden de boekhouding met minstens 1 entiteit uit.
Art. 2 Opmaken energieprestatiecertificaten voor gebouwen die niet onder de energieprestatieregelgeving vallen
De gemeente stelt een energieprestatiecertificaat op voor gebouwen die niet onder de energieprestatieregelgeving vallen. Hierbij wordt voorrang gegeven aan publieke gebouwen die vaak door het publiek worden bezocht. De gemeente stelt minimum 1 energieprestatiecertificaat op per aangesneden schijf van 6000 inwoners. Gemeenten met minder dan 6000 inwoners stellen voor minstens 1 gebouw een energieprestatiecertificaat op.
Art. 3 Actieve sensibilisatie
De gemeente onderneemt een doelgerichte actieve sensibilisatie naar de burgers in verband met rationeel energiegebruik (REG) en meer specifiek omtrent één of meerdere van volgende energiebesparende investeringen:
- het plaatsen van dakisolatie in bestaande gebouwen;
- het vervangen van oude verwarmingsinstallaties;
- het vervangen van enkel of dubbel glas door superisolerende beglazing;
- hernieuwbare energie.
Art. 4 Aankoop van een minimum percentage aan groene stroom
Minimaal
Minimaal 20% van het totale gemeentelijke elektriciteitsverbruik bestaat uit groene elektriciteit.
Verhoging
De gemeente verhoogt het minimum aandeel groene elektriciteit van het totale gemeentelijke elektriciteitsverbruik met 10%.
top

Art. 5 Opleiding energie
De energiecoördinator of de daartoe aangeduide ambtenaar volgt een technische opleiding rond energie en/of energiezuinig bouwen. Een lijst met opleidingen die in aanmerking komen, is terug te vinden in bijlage EN 1 bij de contracttekst. Andere opleidingen komen in aanmerking na goedkeuring door het Vlaams Energieagentschap.
Art. 6 Duurzame Energiescan
Art. 6.1 De gemeente voert een Duurzame Energie – scan (DE-scan) uit
Om voldoende draagvlak te creëren voor de uitvoering van de DE-scan wordt de uitvoering van de DE-scan vastgelegd in een collegebeslissing van het College van Burgemeester en Schepenen.
In de collegebeslissing worden volgende zaken vastgelegd:
het gemeentelijk ambitieniveau voor duurzame energie
de organisatorische en financiële randvoorwaarden voor de uitvoering van de DE-scan
afspraken over organisatie en planning van werkzaamheden
Art. 6.2 Opmaak gemeentelijk plan van aanpak voor duurzame energie
Op basis van de resultaten van de DE-scan maakt de gemeente een plan van aanpak voor duurzame energie op.
Volgende zaken moeten opgenomen worden in het plan:
de beleidsdoelstelling voor duurzame energie
de doelgroepen en duurzame energieopties
de gevolgen voor de gemeentelijke beleidsinstrumenten
de taken van de verschillende gemeentelijke diensten bij het stimuleren en implementeren van duurzame energieopties
de externe partners die betrokken zullen worden
de planning van de gemeentelijke acties
de inzet van personeel en financiële middelen nodig voor het uitvoeren van het gemeentelijk duurzame energiebeleid
top

Art. 7 Het opnemen van energie-efficiëntie als criterium bij overheidsopdrachten
De gemeente neemt initiatieven om energie-efficiëntie op te nemen als evaluatiecriterium bij overheidsopdrachten.
De gemeente kan hiervoor kiezen uit de volgende mogelijkheden:
1° voorschriften voor het gebruik van financiële instrumenten voor energiebesparing, zoals energieprestatiecontracten, waarin wordt vastgelegd welke meetbare en vooraf bepaalde energiebesparing (ook wanneer de overheid taken heeft uitbesteed) moet worden gehaald;
2° voorschriften voor de aankoop van apparatuur op basis van lijsten van energie-efficiënte productspecificaties van verschillende categorieën apparatuur, indien van toepassing, gebruik wordt gemaakt van analyse van de minimale kosten van de levenscyclus of vergelijkbare methoden om de kosteneffectiviteit te waarborgen;
3° voorschriften voor de aankoop van apparatuur die in alle modi een efficiënt energieverbruik heeft, ook in standby-modus, waarbij, indien van toepassing, gebruik wordt gemaakt van analyse van de minimale kosten van de levenscyclus of vergelijkbare methoden om de kosteneffectiviteit te waarborgen;
4° voorschriften om bestaande apparatuur te vervangen door de onder b) en c) opgesomde apparatuur, of deze achteraf in te bouwen;
5° voorschriften voor het gebruik van energieaudits en de uitvoering van de daaruit resulterende aanbevelingen voor kosteneffectiviteit;
6° voorschriften om energie-efficiënte gebouwen of delen van gebouwen aan te kopen of te huren of voorschriften om aangekochte of gehuurde gebouwen of delen van gebouwen te vervangen of aan te passen, om ze energie-efficiënter te maken.
top

Art. 8 Lager energieverbruik
De gemeente engageert zich om in de gebouwen waarvoor een energieboekhouding is opgesteld, het energieverbruik met minstens 1% per jaar te verminderen.
Art. 9 Stimuleren energiebesparende maatregelen
De gemeente realiseert en/of stimuleert de uitvoering van kleine energiebesparende maatregelen bij burgers of specifieke doelgroepen. Ze formuleert minstens bepalingen over de sensibilisatie, de uit te voeren kleine energiebesparende maatregelen en, indien van toepassing, over de doelgroepen bij wie deze dienstverlening wordt aangeboden.
6.4 Projecten
6.4.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan binnen het kader van het Vlaamse milieubeleid een project uitvoeren.
Het project stimuleert duurzaam energiegebruik door het terugdringen van het energieverbruik en/of de inzet van hernieuwbare energie.
Onder 1°-3° worden mogelijke voorbeelden van projecten aangegeven waarvoor een subsidieaanvraag kan worden ingediend. De gemeente kan ook nog een eigen projectvoorstel indienen.
1° REG in bestaande gebouwen
Bij de keuze van het gebouw wordt de voorkeur gegeven aan publieke gebouwen waarvan het energieverbruik hoger is dan het referentiegebouw zoals bepaald in het Energieprestatiecertificaat (EPC). De gemeente motiveert de keuze van het gebouw. Indien een gebouw geen EPC heeft, wordt hier eerst een EPC voor opgesteld.
Bij de keuze van de maatregelen wordt de voorkeur gegeven aan de maatregelen vermeld op het EPC. De gemeente motiveert de keuze van de uit te voeren maatregelen. Om haar keuze beter te onderbouwen kan de gemeente beslissen een energie-audit uit te voeren. De kosten voor de uitvoering van deze audit mogen opgenomen worden in het project. De gemeente kan zich hierbij baseren op het principe dat door de Vlaamse Overheid gebruikt wordt om maatregelen met een terugverdientijd van maximaal 7 jaar binnen de 3 jaar uit te voeren (naar analogie met het actieplan 2006-2010: Energiezorg in de Vlaamse overheidsgebouwen).
2° Nieuwbouw
De gemeente realiseert een energiezuinig utiliteitsgebouw waarbij zij streeft naar een E-peil kleiner of gelijk aan 70.
De Vlaamse Overheid voorziet in een handleiding die de gemeente kan ondersteunen bij het realiseren van energiezuinige gebouwen.
3° Hernieuwbare energie
De gemeente realiseert een hernieuwbare energie-installatie.
Mogelijke installaties zijn:
fotovoltaïsche zonnepanelen;
zonneboiler;
warmtepomp (niet voor koeling);
...
De gemeente kan ook het initiatief en de coördinatie op zich nemen voor de realisatie van participatieprojecten voor grotere hernieuwbare energie-installaties zoals de installatie van windmolens, biomassa-installaties (bijv. verwerking van beheerresten), ...
4° Energiezuinige verlichting
De gemeente realiseert een project rond energiezuinige verlichting van eigen gebouwen of het publieke domein.
Art. 1 Bij de beoordeling van het projectvoorstel en de uitvoering ervan worden volgende criteria gehanteerd die nader omschreven worden door de gemeente in het projectvoorstel:
Algemene criteria
- de overeenstemming van de projectdoelstellingen met het Vlaamse milieu- en klimaatbeleid;
- de te bereiken resultaten op vlak van REG, energiezuinig bouwen en hernieuwbare energie
Specifieke criteria met betrekking tot de hierboven aangehaalde voorbeeldprojecten:
1° REG in bestaande gebouwen
maximum 1 gebouw per jaar of één maatregel in verschillende gebouwen waarbij voorrang wordt gegeven aan publieke gebouwen waar een aanzienlijke verbetering van de energieprestatie mogelijk is;
het uitvoeren van de maatregelen moeten een aanzienlijke verbetering van de energieprestatie van het gebouw teweeg brengen. Hierbij wordt vooropgesteld dat gebouwen die zich in de oranje-rode zone van het EPC bevinden zich naar de gele zone verplaatsen en dat gebouwen die zich in de gele zone bevinden zich naar de groene zone verplaatsen;
- de uitgevoerde maatregelen moeten minstens voldoen aan de voorwaarden opgelegd door het Vlaams Energieagentschap en indien deze ontbreken de voorwaarden opgelegd door de netbeheerder voor het toekennen van premies.
2° Nieuwbouw
E-peil kleiner of gelijk aan 70
Alleen de meerkost t.o.v. het wettelijk minimum wordt gesubsidieerd. De gemeente moet deze meerkost aantonen door een simulatie te maken van de verschillende E-peilen.
3° Hernieuwbare energie
De installaties moeten minstens voldoen aan de voorwaarden opgelegd door het Vlaams Energieagentschap en indien deze ontbreken de voorwaarden opgelegd door de netbeheerder voor het toekennen van premies.
4° Energiezuinige verlichting
De te bereiken resultaten inzake verminderd energieverbruik.
top

7. Thema Mobiliteit
7.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente verbindt er zich toe een beleid te voeren dat erop gericht is integratie te bevorderen van het milieubeleid, het mobiliteitsbeleid en het ruimtelijke ordeningsbeleid. Op die wijze tracht de gemeente bij te dragen tot een vermindering van de druk op het leefmilieu, uitgeoefend door de sector verkeer en vervoer.
De gemeente besteedt hierbij aandacht aan de volgende aspecten:
verminderen van de druk van het verkeer op het milieu;
bevorderen van de integratie van het milieu in de mobiliteitsbeleid;
stimuleren van verantwoord verplaatsingsgedrag bij haar burgers via doelgerichte sensibilisatiecampagnes rond de milieuproblematiek van de verkeer- en vervoersector;
uitbouwen van een milieuvriendelijk voertuigenpark.
7.2 Basis
Art. 1 Passieve sensibilisatie rond mobiliteit
De gemeente onderneemt passieve sensibilisatie m.b.t. mobiliteit waarbij een duidelijke milieulink aanwezig is.
Art. 2 Deelname milieuschepen/milieuambtenaar/duurzaamheidambtenaar aan Gemeentelijke Begeleidingscommissie (GBC)
De milieuschepen/milieuambtenaar/duurzaamheidambtenaar neemt deel aan het overleg van de Gemeentelijke Begeleidingscommissie (GBC) die werd opgericht in het kader van het mobiliteitsconvenant.
top

7.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 Stimuleren milieuvriendelijk rijgedrag van het gemeentepersoneel
De gemeente onderneemt een opleiding in milieuvriendelijk rijgedrag voor het gemeentepersoneel.
Art. 2 Sneltoets
De gemeente toetst het mobiliteitsplan op zijn actualiteitswaarde aan de hand van de Sneltoets.
De milieuschepen/milieuambtenaar/duurzaamheidambtenaar neemt bij het doorlopen van de Sneltoets actief deel aan de Gemeentelijke Begeleidingscommissie.
Als het resultaat van de Sneltoets het herzien, verbreden of verdiepen van het mobiliteitsplan is, geeft de milieuschepen/milieuambtenaar/duurzaamheidambtenaar per werkdomein aan welke milieuthema’s bij welke werkdomeinen aanleunen en bijgevolg bij voorkeur worden meegenomen in verder onderzoek.
De Vlaamse Overheid voorziet in een handleiding die de milieuschepen/milieuambtenaar/duurzaamheidambtenaar kan ondersteunen bij het uitvoeren van deze bepaling. In de handleiding wordt onder meer een overzicht gegeven van de mogelijke milieuthema’s per werkdomein.
Art. 3 Luchtverontreiniging door verkeer
Art. 3.1 Knelpuntanalyse van luchtverontreiniging door verkeer
De gemeente brengt de knelpunten van luchtverontreiniging door verkeer (PM10 en NO2) op haar grondgebied in kaart d.m.v. het stratenmodel CAR Vlaanderen, een gelijkwaardig stratenmodel en/of een globaal stedelijk model.
Minimaal
De gemeente neemt minimum 1 straat op per aangesneden schijf van 5000 inwoners met een maximum van 10 straten. Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan potentiële knelpuntstraten. Gemeenten met minder dan 5000 inwoners nemen minstens 1 straat op. De gemeente motiveert de keuze van de stra(a)t(en).
De Vlaamse Overheid voorziet in een handleiding die de gemeente kan ondersteunen bij het in kaart brengen van de knelpunten van luchtverontreiniging door verkeer.
Uitbreiding
De gemeente breidt de knelpuntanalyse uit met 1 straat per aangesneden schijf van 10000 inwoners. Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan potentiële knelpuntstraten. Gemeenten met minder dan 10000 inwoners breiden de knelpuntanalyse met minstens 1 straat uit. De gemeente motiveert de keuze van de stra(a)t(en). Bij de selectie van straten kan de categorisering van de wegen een rol spelen.
top

Art. 3.2 Opmaak van een actieplan luchtverontreiniging door verkeer
Op basis van de knelpuntanalyse en eventuele uitbreidingen hiervan wordt een actieplan opgemaakt.
Het actieplan heeft als doel om, in relatie met de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente, lokale luchtkwaliteitknelpunten weg te werken en nieuwe knelpunten te voorkomen. In dit plan wordt aangegeven hoe de knelpunten in de luchtkwaliteit worden aangepakt.
Het actieplan geeft aan welke knelpuntgebieden prioritair zullen worden aangepakt (bijv. straten waar veel mensen wonen, aanwezigheid van gevoelige groepen, enz.).
Het actieplan geeft vervolgens een aantal maatregelen weer met per maatregel een plan van aanpak met een overzicht van de activiteiten, de planning en een kostencalculatie. Het actieplan bevat voornamelijk maatregelen die de gemeente zelf kan beïnvloeden/uitvoeren zoals:
invoeren van milieuzones,
uitwerken van een parkeerbeleid,
bevorderen van de doorstroming van het verkeer,
verlagen van het aandeel vrachtverkeer,
stimuleren van fietsgebruik,
promoten openbaar vervoer,
infrastructurele maatregelen,
...
Bij de beoordeling en selectie van maatregelen wordt gekeken naar het verwachte effect op de luchtkwaliteit maar ook de geschatte kost, het effect op de leefbaarheid, de economische implicaties en de uitstraling van de maatregel.
De effecten van de maatregelen op de luchtkwaliteit worden beoordeeld met berekeningen door de gemeente met het stratenmodel CAR Vlaanderen, een gelijkwaardig stratenmodel en/of een globaal stedelijk model.
De gemeente voorziet in het actieplan eveneens de opvolging van de luchtkwaliteit in de knelpuntgebieden via het uitvoeren van modellering of het bijstellen van maatregelen waar noodzakelijk (bijv. bij beschikbaarheid van nieuwe gegevens).
Het actieplan bevat maatregelen die binnen een relatief korte termijn kunnen worden geïmplementeerd en maatregelen waarvoor binnen de looptijd van het actieplan onderzoek zal worden verricht naar de effecten, de kosten, de haalbaarheid en/of de wijze van uitvoering.
De gemeente moet bij de uitwerking van het actieplan ook aandacht besteden aan de communicatie over de eigen verantwoordelijkheid van de burgers en de motivatie van gemeentelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De inwoners vervullen immers een belangrijke rol bij de verbetering van de luchtkwaliteit.
Luchtverontreiniging kent geen grenzen en de mogelijkheid voor de gemeente om maatregelen te nemen houdt meestal op bij de gemeentegrens. In dit opzicht is het belangrijk om bij de uitwerking van het actieplan te zoeken naar samenwerking met de Vlaamse Overheid en/of andere partners uit de regio (provincie, buurgemeenten).
Door de dienst Lucht en klimaat van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie zal een model van een actieplan ter beschikking worden gesteld.
De gemeente kan het actieplan ook integreren in het mobiliteitsplan via het proces van verbreden, verdiepen en herzien van het mobiliteitsplan door gebruik te maken van module 1 ‘opmaak of bijsturing van een (inter)gemeentelijk mobiliteitsplan’ van het mobiliteitsconvenant en tegelijkertijd de opmaak van het actieplan in te dienen bij de projecten in het kader van artikel 2.2 van het thema mobiliteit voor ‘opname van milieu bij herzien, verbreden, verdiepen van het mobiliteitsplan’; om in dit geval in aanmerking te komen voor de samenwerkingsovereenkomst dient de rapportering en opvolging van het actieplan te gebeuren binnen de samenwerkingsovereenkomst. Voor integratie van het actieplan in het mobiliteitsplan is het van belang dat de knelpuntanalyse gemeentedekkend is.
top

Art. 4 Actieve sensibilisatie
De gemeente onderneemt een doelgerichte actieve sensibilisatie in verband met mobiliteit waarbij er een duidelijke milieulink aanwezig is.
Art. 5 Milieuvriendelijke voertuigen
Art. 5.1 Inventaris en evaluatie van het wagenpark d.m.v. programma ‘Milieutoetsing Voertuigenpark’ (MTV)
Opmaak
De gemeente maakt d.m.v. het programma ‘Milieutoetsing voertuigenpark’ (bijlage MO 1 bij de handleiding) een inventaris en evaluatie van het wagenpark. Dit geeft (een) indicatie(s) welk(e) voertuig(en) in het voertuigenpark het minst milieuvriendelijk is (zijn) of door zijn (hun) gebruik het meest ruimte biedt tot vermindering van de uitstoot van schadelijke emissies.
Actualisatie
De gemeente actualiseert de inventaris en evaluatie van het wagenpark.
Art. 5.2 Opmaak actieplan om te komen tot een milieuvriendelijk voertuigenpark
Aan de hand van de resultaten van een vlootevaluatie via MTV maakt de gemeente een actieplan op om haar voertuigenpark milieuvriendelijker te maken.
Mogelijke acties binnen dit actieplan zijn:
aankoop milieuvriendelijk voertuig,
toepassing van technische maatregelen aan (een) voertuig(en) om dit voertuig milieuvriendelijker te laten rijden,
...
In het actieplan wordt per maatregel de tijdsplanning en een kostencalculatie weergegeven.
De gemeente voorziet in het actieplan eveneens de opvolging van de milieuvriendelijkheid van het voertuigenpark.
De maatregelen uit het actieplan moeten tot gevolg hebben dat het verschil tussen de gewogen ecoscore van de gemeentelijke vloot en de maximum ecoscore van 100 wordt verminderd met 5 % of meer.
Art. 5.3 Opname milieuaspecten in bestek
De gemeente neemt milieuaspecten op in haar bestekken voor de aankoop van voertuigen (conform definitie milieuvriendelijk voertuig). Voorbeelden van milieuaspecten die in aanmerking komen zijn terug te vinden in bijlage MO 2.
top

Art. 5.4 Resultaatsverbintenissen over de hele vloot
De gemeente voert aan de hand van MTV een nulmeting uit op het voertuigenpark en verbindt zich vervolgens tot onderstaande resultaten:
Gemeenten met een gewogen ecoscore van de vloot lager dan 42:
realisatie van een gewogen ecoscore van de gemeentelijke vloot van 45
Gemeenten met een gewogen ecoscore van de vloot gelijk of hoger dan 45:
vermindering van het verschil tussen de gewogen ecoscore van de gemeentelijke vloot en de maximum ecoscore van 100 met 5 %. (bijv. gewogen ecoscore = 45, dit geeft een verhoging van de gemiddelde ecoscore met 100 – 45 = 55 x 5% = 2,75)
Art. 6 Bedrijfsvervoersplannen van de gemeente
De gemeente voert een evaluatie uit van het woon-werkverkeer van haar personeel en de dienstverplaatsingen en stelt een actieplan op om het woon-werkverkeer en dienstverplaatsingen op een meer milieuvriendelijke manier te laten verlopen. Een toolbox is beschikbaar op de website http://www.mobiliteitsmanagement.be/index.htm.
Voor de evaluatie van het woon-werkverkeer en de dienstverplaatsingen maakt de gemeente een analyse van haar mobiliteit- en bereikbaarheidsprofiel.
Het mobiliteitsprofiel beschrijft het verplaatsingspatroon van haar personeel en dit zowel voor het woon-werkverkeer als de dienstverplaatsingen. Voor het opstellen van een mobiliteitsprofiel moet de gemeente over voldoende gegevens beschikken:
aankomst- en vertrekuren;
adressen van de werknemers;
huidige keuze van vervoersmiddel;
mogelijkheden van thuis- of telewerken;
...
Indien de gemeente over onvoldoende gegevens beschikt om een mobiliteitsprofiel op te stellen, kan zij een personeelsenquête organiseren. De gemeente kan hiervoor gebruik maken van de enquête ‘De diagnostiek woon-werkverkeer’ van de Federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De enquête is raadpleegbaar en in te vullen op: www.mobilit.fgov.be/forens/static/onthaal/information_nl_BE.html
De gemeente maakt een gebruiksanalyse van haar voertuigenpark waarbij alle vervoersmodi (personen-, bestel- en vrachtwagens, dienstfietsen, ...) worden opgenomen. Naast het vergelijken van de voertuigen onderling worden ook de verschillende vervoersmodi tegen over elkaar afgewogen (hoe en waarom, afstanden, bezettingsgraad, frequentie van gebruik, ...).
Naast het verplaatsingsgedrag van haar eigen personeel brengt het mobiliteitsprofiel ook andere vormen van mobiliteit door de gemeentelijke diensten veroorzaakt in kaart. Hierbij wordt in de eerste plaats gedacht aan de verplaatsing van bezoekers en leveranciers.
Het bereikbaarheidsprofiel geeft een overzicht van het geheel aan bestaande faciliteiten om de gemeentelijke diensten te bereiken. Dit zijn zowel externe faciliteiten (wegennet, buslijnen, fietsroutenet, ...) als interne faciliteiten die een directe of indirecte invloed hebben op de verplaatsingen (parking, fietsstallingen, carpoolen, ...).
Op basis van de analyse van het woon-werkverkeer en de dienstverplaatsingen eventueel aangevuld met gegevens uit een personeelsenquête, maakt de gemeente een actieplan op dat moeten leiden tot een meer milieuvriendelijk verplaatsingsgedrag. Hierbij is het belangrijk om een samenhangend geheel te bekomen met een evenwichtige mix van maatregelen.
Een goed actieplan zou volgende maatregelen moeten bevatten:
maatregelen gericht op het verminderen van verplaatsingsbehoeften (preventief);
maatregelen om personeel aan te zetten tot het gebruik van duurzame vervoermiddelen (bijv. het ter beschikking stellen van dienstfietsen, aanschaf/gebruik van een doorgeefabonnement van De Lijn in stedelijke gebieden,…);
een samenhangend aanbod van duurzame vervoerswijzen waarin alle vervoermiddelen elkaar aanvullen en samenwerken (collectief vervoer, fiets, carpooling,…);
harde maatregelen (aanpassing van het infrastructuur- en vervoeraanbod) gericht op een beter aanbod van duurzame vervoermiddelen;
zachte maatregelen om werknemers aan te sporen gebruik te maken van het bestaande infrastructuur- en vervoersaanbod;
aanmoedigingsmaatregelen ten voordele van de duurzame vervoerswijzen (fietsvergoeding);
ontmoedigingsmaatregelen die het gebruik van de auto minder aantrekkelijk maken (parkeeraanbod).
Een vervoerplan eindigt niet nadat de maatregelen gekozen en uitgevoerd zijn. Het is van essentieel belang om het vervoerplan te blijven opvolgen, anders dreigen de resultaten verloren te gaan. Een goede opvolging is noodzakelijk op drie verschillende vlakken:
een constante sensibilisatie en verdeling van informatie;
een goede organisatorische opvolging (uitvoering van maatregelen, ontwikkeling van het plan en aanpassen indien nodig, ...);
de permanente evaluatie van het plan.
top

7.4 Projecten
7.4.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan in het kader van Vlaamse milieu- en mobiliteitsbeleid een projectvoorstel indienen.
Het project stimuleert duurzaam verplaatsingsgedrag door het promoten van het gebruik van milieuvriendelijke transportmodi, de uitbouw van vervoersmanagement, de realisatie van een milieuvriendelijk voertuigenpark, het stimuleren van milieuvriendelijk rijgedrag en/of de aanpak van luchtverontreiniging door verkeer op haar grondgebied.
De link tussen milieu en mobiliteit moet bij het project heel duidelijk zijn. Projecten die enkel op mobiliteit gericht zijn en die slechts onrechtstreeks een invloed hebben op het milieu komen niet in aanmerking.
Onder punt 1°- 5° worden een mogelijke projecten aangegeven waarvoor een subsidieaanvraag kan worden ingediend. De gemeente kan ook een eigen projectvoorstel uitwerken.
1° Uitvoeren van metingen
De gemeente voert metingen (verkeerstellingen, luchtkwaliteit) uit op wegen -van het grondgebied- die potentieel een knelpunt inzake luchtverontreiniging vormen (prioritair invalswegen, verkeersdrukke wegen, straatcanyons). De gemeente motiveert de keuze van de straten. Deze metingen worden vervolgens gebruikt om knelpunten van luchtverontreiniging door verkeer in kaart te brengen (input stratenmodel).
2° Opname van milieu bij herziening/verbreden/verdiepen van het mobiliteitsplan
De gemeente neemt milieuaspecten als aandachtspunt expliciet op in studies voor het herzien, verbreden of verdiepen van het mobiliteitsplan die binnen de module 1 ‘Opmaak of bijsturing van een (inter)gemeentelijk mobiliteitsplan’ van het mobiliteitsconvenant worden opgestart.
Voor de opname van milieuaspecten maakt de gemeente gebruik van de fiches opgenomen in de handleiding. Aan de hand van een kruistabel in de handleiding kan bepaald worden welke milieufiche(s) moet(en) worden bekeken bij het verbreden/verdiepen/herzien van welke mobiliteitsthema(s).
De resultaten van eventueel uitgevoerde modellering worden meegenomen in de opmaak van scenario’s.
3° Problematiek van luchtverontreiniging door verkeer (PM10 en NO2)
3°1 Opmaak van een actieplan luchtverontreiniging door verkeer
Op basis van de knelpuntanalyse en eventuele uitbreidingen hiervan wordt een actieplan opgemaakt.
Het actieplan heeft als doel om, in relatie met de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente, lokale luchtkwaliteitknelpunten weg te werken en nieuwe knelpunten te voorkomen. In dit plan wordt aangegeven hoe de knelpunten in de luchtkwaliteit worden aangepakt.
Het actieplan geeft aan welke knelpuntgebieden prioritair zullen worden aangepakt (bijv. straten waar veel mensen wonen, aanwezigheid van gevoelige groepen, enz.).
Het actieplan geeft vervolgens een aantal maatregelen weer met per maatregel een plan van aanpak met een overzicht van de activiteiten, de planning en een kostencalculatie. Het actieplan bevat voornamelijk maatregelen die de gemeente zelf kan beïnvloeden/uitvoeren zoals:
invoeren van milieuzones,
uitwerken van een parkeerbeleid,
bevorderen van de doorstroming van het verkeer,
verlagen van het aandeel vrachtverkeer,
stimuleren van fietsgebruik,
promoten openbaar vervoer,
infrastructurele maatregelen,
...
Bij de beoordeling en selectie van maatregelen wordt gekeken naar het verwachte effect op de luchtkwaliteit maar ook de geschatte kost, het effect op de leefbaarheid, de economische implicaties en de uitstraling van de maatregel.
De effecten van de maatregelen op de luchtkwaliteit worden beoordeeld met berekeningen door de gemeente met het stratenmodel CAR Vlaanderen, een gelijkwaardig stratenmodel en/of een globaal stedelijk model.
De gemeente voorziet in het actieplan eveneens de opvolging van de luchtkwaliteit in de knelpuntgebieden via het uitvoeren van modellering of het bijstellen van maatregelen waar noodzakelijk (bijv. bij beschikbaarheid van nieuwe gegevens).
Het actieplan bevat maatregelen die binnen een relatief korte termijn kunnen worden geïmplementeerd en maatregelen waarvoor binnen de looptijd van het actieplan onderzoek zal worden verricht naar de effecten, de kosten, de haalbaarheid en/of de wijze van uitvoering.
De gemeente moet bij de uitwerking van het actieplan ook aandacht besteden aan de communicatie over de eigen verantwoordelijkheid van de burgers en de motivatie van gemeentelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De inwoners vervullen immers een belangrijke rol bij de verbetering van de luchtkwaliteit.
Luchtverontreiniging kent geen grenzen en de mogelijkheid voor de gemeente om maatregelen te nemen houdt meestal op bij de gemeentegrens. In dit opzicht is het belangrijk om bij de uitwerking van het actieplan te zoeken naar samenwerking met de Vlaamse Overheid en/of andere partners uit de regio (provincie, buurgemeenten).
Door de dienst Lucht en klimaat van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie zal een model van een actieplan ter beschikking worden gesteld.
De gemeente kan het actieplan ook integreren in het mobiliteitsplan via het proces van verbreden, verdiepen en herzien van het mobiliteitsplan. De gemeente dient dan het actieplan uit te werken binnen een projecten in het kader van artikel 2.2 van het thema mobiliteit voor ‘opname van milieu bij herzien, verbreden, verdiepen van het mobiliteitsplan’. Hiervoor is het van belang dat de knelpuntanalyse gemeentedekkend is.
3°2 Uitvoeren van maatregelen om luchtverontreiniging door verkeer in knelpuntstraten aan te pakken
De gemeente voert een project uit om luchtverontreiniging door verkeer in knelpuntstraten aan te pakken. De gemeente kan hiervoor indien gewenst ook gebruik maken van module 15 van het mobiliteitsconvenant ter ondersteuning van een duurzaam lokaal milieubeleid.
4° Module 15 project met meerwaarde voor het milieu
De gemeente werkt een milieuvriendelijk project uit in het kader van module 15 ter ondersteuning van een duurzaam lokaal milieubeleid.
Art. 1 Bij de beoordeling van het projectvoorstel en de uitvoering ervan worden volgende criteria gehanteerd die nader omschreven worden door de gemeente in het projectvoorstel:
Algemeen
- de mate waarin het project kadert in het Vlaamse milieu- en mobiliteitsbeleid;
- de mate waarin het duurzaam verplaatsingsgedrag stimuleert;
- de mate waarin de link tussen milieu en mobiliteit is uitgewerkt.
Specifieke criteria met betrekking tot de aangehaalde voorbeeldprojecten
1° Uitvoeren van metingen
- alleen metingen op potentiële knelpuntstraten.
- de gemeente motiveert de keuze van de straten.
2° Opname van milieu bij herziening/verbreden/verdiepen van het mobiliteitsplan
expliciet opnemen van de milieuaspecten, zoals beschreven in de fiches opgenomen in de handleiding, in de studie voor het herzien, verbreden of verdiepen van het mobiliteitsplan;
integreren van de studie in overeenstemming met de bepalingen van de module 1 van het mobiliteitsconvenant. Een kopie van de nota’s die worden voorgelegd aan de PAC worden toegestuurd aan de themaverantwoordelijke mobiliteit;
de kosten voor het opnemen van de milieuaspecten worden afzonderlijk gefactureerd en teruggevorderd volgens de bepalingen van projecten in het kader van de samenwerkingsovereenkomst. Een kopie wordt samen met een kopie van de aanvraag en goedkeuring van het project toegevoegd bij de betalingsaanvraag in het kader van module 1 van het mobiliteitsconvenant;
er wordt prioriteit gegeven aan studies die de problematiek van luchtverontreiniging meenemen.
3° Problematiek van luchtverontreiniging door verkeer (PM10 en NO2)
3°1 Opmaak van een actieplan luchtverontreiniging door verkeer
het actieplan moet een aanzienlijke verbetering van de luchtkwaliteit teweeg brengen voor de knelpuntstraten
de effecten van de maatregelen uit het actieplan op de luchtkwaliteit worden door de gemeente beoordeeld via berekeningen met het stratenmodel CAR Vlaanderen, een gelijkwaardig stratenmodel en/of een globaal stedelijk model
3°2 Uitvoeren van maatregelen om luchtverontreiniging door verkeer in knelpuntstraten aan te pakken
- het project moet kaderen binnen het actieplan om luchtverontreiniging door verkeer terug te dringen
- het project heeft betrekking op knelpuntstraten
- het project moet een aanzienlijke verbetering van de luchtkwaliteit teweeg brengen
- indien de gemeente gebruik maakt van de module 15 van het mobiliteitsconvenant: de projecten worden ingediend in overeenstemming met de bepalingen van de module 15 van het mobiliteitconvenant. Een kopie van de projectnota wordt toegestuurd aan de themaverantwoordelijke mobiliteit.
4° Module 15 project met meerwaarde voor het milieu
- De projecten worden ingediend in overeenstemming met de bepalingen van de module 15 van het mobiliteitsconvenant. Een kopie van de projectnota wordt toegestuurd aan de themaverantwoordelijke mobiliteit.
- Het project heeft een duidelijke meerwaarde voor het milieu.
top

8. Natuur
8.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente verbindt er zich toe een beleid te voeren dat gericht is op de zorgplicht voor de natuur en het stopzetten van het verlies van de biodiversiteit, met inbegrip van de genetische diversiteit, door instandhouding, ontwikkeling en herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en door het duurzaam gebruik van ecosystemen en soorten.
8.2 Basis
Art. 1 Bermbeheer
De gemeente volgt het bermbesluit op.
Art. 2 Streekeigen soorten
De gemeente promoot het gebruik van streekeigen soorten en autochtoon plantmateriaal.
Art. 3 Code goede natuurpraktijk
De gemeente maakt gebruik van de code van goede natuurpraktijk, opgesteld door het Vlaamse Gewest.
8.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 Subsidiereglement
De gemeente werkt een subsidiereglement uit voor soortbescherming, onderhoud en/of aanleg van KLE, streekeigen soorten en autochtoon plantmateriaal, gevelbegroening en/of ondersteuning van natuurverenigingen. De gemeente past het reglement actief toe en promoot het naar de subsidiebegunstigden.
Art. 2 Vorming
De gemeente laat haar personeel een opleiding over ecologisch groen-, natuur- en bosbeheer volgen. De opleiding moet gegeven worden door een erkend opleidingscentrum.
Art. 3 Deelname Dag van het Park
De gemeente neemt deel aan de Dag van het Park of Dag van de Natuur.
Art. 4 Aanplanten streekeigen soorten door gemeenten
De gemeente gebruikt uitsluitend streekeigen soorten- en indien beschikbaar autochtoon plantmateriaal – voor aanplantingen in ten minste landbouw-, natuur-, bosgebied en bufferzones.
Art. 5 Inventarisatie en actieplan kleine landschapselementen (KLE’s)
De gemeente maakt een inventarisatie op van de aanwezige KLE’s en stelt een actieplan op voor het behoud, het herstel en de aanleg van KLE’s. De acties zijn zo concreet mogelijk omschreven en omvatten een budgettaire raming en timing van uitvoering.
top

8.4 Projecten
8.4.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan in het kader van het Vlaamse milieu- en natuurbeleid een projectvoorstel indienen.
Onder punten 1-9 worden mogelijke types van projecten aangegeven waarvoor een subsidieaanvraag kan worden ingediend.
1° Aankoop gronden voor behoud of aanleg van natuur, bos of park
1°1. Een gemeente kan een subsidie aanvragen voor de aankoop van gronden met het oog op de aanleg of het behoud van natuur, bos of park, op voorwaarde dat:
- het terrein niet aangewend wordt voor een bebossing ter compensatie van een ontbossing in gevolge art. 90bis van het Bosdecreet;
- het behoud van het terrein als natuur, bos of park en de eraan verbonden natuurwaarden gegarandeerd blijft;
- het aankoopproject niet gelegen is binnen een aankoopperimeter van het ANB of terreinbeherende natuurvereniging, tenzij er een onderlinge goedkeuring is.
1°2 De subsidie wordt berekend op basis van de aankoopprijs vermeld in het schattingsverslag.
2° Inrichting ten behoeve van natuur, bos, groen of landschap
2°1 Een gemeente kan een subsidie aanvragen voor de inrichting van terreinen en voor de aanleg van natuurtechnische infrastructuur langs wegen en waterlopen op voorwaarde dat de werken een verhoging van de ecologische of landschappelijke waarden betekenen.
2°2 Kosten verbonden aan randinfrastructuur mogen maximaal 20% bedragen van de totale voor subsidie in aanmerking komende kosten. Uitzondering hierop vormen:
- inrichting van parken en speelbossen, of bos- en natuurleerpaden waarbij dit kan oplopen tot 60%;
- acties rond integrale toegankelijkheid waarbij de kosten voor de infrastructuur noodzakelijk voor de integrale toegankelijkheid volledig in aanmerking komen (zie 7°);
Onder randinfrastructuur wordt verstaan alle infrastructuur die niet gericht is op het vergroten van de ecologische waarde, maar gericht is op toegankelijkheid en recreatief medegebruik, zoals onder meer infoborden, toegangssluizen, afsluitingen, vogelkijkhutten, knuppelpaden, voetgangersbrugjes, banken en picknicktafels.
2°3 Vanaf 2011 moeten inrichtingswerken m.b.t. parken kaderen binnen een HPG-beheerplan.
3° Soortbescherming
3°1 Een gemeente kan een subsidie ontvangen voor het uitvoeren van een soortbeschermingsproject.
3°2 Gemeenten focussen op soorten die leven in agrarische en stedelijke omgeving. Voor typeprojecten wordt onder meer verwezen naar het Dulomi-project ‘Biodiversiteit in je gemeente’ van Natuurpunt vzw.
3°3 Voor soorten van internationaal belang (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn) kan de gemeente uitvoering geven aan de soortbeschermingsplannen die opgesteld zijn door het ANB.
3°4 Indien het project een aankoop van gronden, respectievelijk inrichtingswerken, omvat, moet men ook de bepalingen van 1°, respectievelijk 2°, van dit artikel volgen.
4° Harmonisch Park- en Groenbeheerplan
4°1 Een gemeente kan een subsidie ontvangen voor de opmaak van een harmonisch park- en groenbeheerplan op voorwaarde dat:
- het terrein in eigendom of beheer is van de gemeente;
- het ANB betrokken wordt bij de opmaak van het plan;
- het HPG-beheerplan goedgekeurd is door het ANB;
- er overeenstemming is van het luik cultuurhistorie met de inhoud van de landschapsatlas indien het terrein (een deel van) een ankerplaats omvat;
- er een positief advies is van het Agentschap RO, onroerend erfgoed indien het terrein beschermd is als landschap, monument, stads- of dorpsgezicht;
- er voor dit beheerplan geen subsidie werd verleend voor opmaak van een landschapsbeheerplan binnen beschermd landschap.
4°2 De kosten voor de participatie aan stuurgroepen en het opvolgen van het planproces komen niet in aanmerking.
5° Bermbeheerplan
5°1 Een gemeente kan een subsidie ontvangen voor de opmaak of evaluatie van een bermbeheerplan op voorwaarde dat:
- het bermbeheerplan of evaluatie goedgekeurd is door het ANB.
6° Speelbossen
6°1 Een gemeente kan een subsidie aanvragen voor de realisatie van een speelbos op voorwaarde dat:
- de speelzone een blijvend karakter heeft;
- de speelzone officieel opengesteld wordt voor het publiek. Het speelzonebord is aan te vragen bij de provinciale afdeling van het ANB;
- de lokale jeugd betrokken wordt;
- voor speelzones in vogel- of habitatrichtlijngebied een voorafgaandelijk positief advies gegeven is door het ANB;
- Voor speelzones in een beschermd landschap, monument, stads- of dorpsgezicht een voorafgaandelijk positief advies is gegeven door het Agentschap RO, onroerend erfgoed.
6°2 Indien het project ook een aankoop van gronden, respectievelijk inrichtingswerken, omvat, moet men ook de bepalingen van 1°, respectievelijk 2°, van dit artikel volgen.
7° Integrale toegankelijkheid
7°1 Een gemeente kan een subsidie aanvragen voor ingrepen gericht op de verbetering van de toegankelijkheid voor gehandicapten van een groengebied, op voorwaarde dat:
- er een gunstig advies is van Agentschap RO, onroerend erfgoed indien het gaat om een beschermd landschap, monument, stad- of dorpsgezicht.
7°2 Indien het project ook een aankoop van gronden, respectievelijk inrichtingswerken, omvat moet men ook de bepalingen van 1°, respectievelijk 2°, van dit artikel volgen.
8° Subsidiereglement groendaken
8°1 Een gemeente die aan derden subsidies uitkeert voor de aanleg van een groendak, kan hiervoor een subsidie van maximaal 31 EUR/m² ontvangen van de Vlaamse Overheid, op voorwaarde dat:
- het gemeentelijke subsidiereglement wordt voorgelegd en goedgekeurd door de Vlaamse Overheid;
- de gemeentelijke subsidie minimum 31 EUR/m² bedraagt, voor zover de kostprijs per m² voor de aanleg van het groendak minimum 31 EUR/m² bedraagt;
- de gemeentelijke subsidie gelijk is aan de werkelijke kostprijs indien deze lager uitvalt dan 31 EUR/m².
8°2 Gemeenten die beschikken over een goedgekeurd subsidiereglement uit de SO 2002-2007 moeten het reglement aanpassen aan bovenstaande voorwaarden. De gemeente maakt het aangepaste reglement en de goedkeuring door de gemeenteraad over aan de Vlaamse Overheid. De aanpassing moet gebeuren voor 1 januari 2009.
8°3 Het ANB wordt in kennis gesteld van iedere wijziging van het subsidiereglement.
9° Aanleg van groendak op gebouw in beheer of eigendom van gemeente
Een gemeente kan een subsidie ontvangen van 50% met een maximum van 31 EUR/m² voor de aanleg van een groendak, op voorwaarde dat:
- de gemeente optreedt als bouwheer;
- het gebouw in eigendom of beheer is van de gemeente;
10° Niet toegelaten projecten
Volgende projecten of kosten komen niet in aanmerking voor subsidie:
- opmaak plannen (behalve HPG- en bermbeheerplan), bestekken, studies, inventarisaties, reglementen en politieverordeningen. Voor de opmaak van een bosbeheerplan kan de gemeente subsidie aanvragen via het Bosdecreet (zie www.natuurenbos.be).
- deelname aan werk- en stuurgroepen;
- opruimen zwerfvuil;
- regulier onderhoud en beheer;
- beheer-, onderhoudsovereenkomsten en gemeentelijke subsidiereglementen (behalve groendaken);
- controles op wetgeving en reglementen;
- registratie-, notaris- en hypothecaire kosten;
- uitwinnen pachters binnen agrarisch gebied;
- aankoop gronden gelegen in herbevestigd agrarisch gebied;
- uitbouw van permanente bezoekerscentra;
- aanleg van speeltuinen;
- geleide wandelingen en infoavonden;
- persvoorstelling;
- compensaties en voorwaarden opgelegd in kader van natuurvergunning, stedenbouwkundige vergunning of artikel 36ter van het Natuurdecreet;
- NME-projecten (m.u.z. van bos- en natuurleerpaden op voorwaarde dat deze een onderdeel zijn van een groter project).
Art. 1 Bij de beoordeling van het projectvoorstel en de uitvoering ervan worden volgende criteria gehanteerd die nader omschreven worden door de gemeente in het projectvoorstel:
Algemene criteria
- de mate waarin het project kadert in het Vlaamse milieu- en natuurbeleid;
Specifieke criteria met betrekking tot de hierboven vermelde typeprojecten:
1° Aankoop gronden voor behoud of aanleg van natuur, bos of park
- de ecologische meerwaarde;
- de locatie;
- de aankoopprijs. De aankoopprijs mag niet marktverstorend werken en dient in overeenstemming te zijn met de prijzen gehanteerd door het ANB of terreinbeherende natuurverenigingen in het gebied.
2° Inrichting ten behoeve van natuur, bos, groen of landschap
- de ecologische en/of landschappelijke meerwaarde;
- het gebruik van streekeigen soorten;
- het voldoen aan de criteria HPG (indien het een groenproject betreft);
- aandacht voor ontsnippering (zie hiervoor de vademecums Natuurtechniek Waterlopen 1994 en Wegen 1996)
- de kostprijs.
3° Soortbescherming
- de soort(en);
- de ecologische meerwaarde van de maatregelen;
- de afstemming met andere initiatieven rond soortbescherming;
4° Harmonisch Park- en Groenbeheerplan
- de eigendomssituatie;
- de verantwoordelijke voor het beheer;
- het geselecteerde gebied;
5° Bermbeheerplan
- de methodiek van de studie;
- de geselecteerde bermen;
- het bermbeheerplan moet goedgekeurd zijn door het ANB alvorens de betaalaanvraag kan ingediend worden.
6° Speelbossen
- het advies van de jeugdraad;
- de ligging van het speelbos;
- de eventuele inrichting van het bos;
- de soortenkeuze bij evt. aanplantingen;
- het evenwicht met de ecologische functie van het bos;
- advies ANB en/od ARO, onroerend erfgoed indien van toepassing;
7° Integrale toegankelijkheid
- de keuze van het gebied;
8° Subsidiereglement groendaken
- het reglement;
- subsidiebedrag.
9° Aanleg van groendak op gebouw in beheer of eigendom van gemeente
- de effectieve oppervlakte groendak.
De subsidie kan nooit meer bedragen dan wat de gemeente betaald heeft.
top

9. Thema Bodem
9.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente werkt mee aan de uitvoering van het Vlaamse bodembeleid binnen de eigen gemeentelijke diensten. Daarnaast onderneemt de gemeente ook initiatieven voor de inwoners. De gemeente streeft hierbij naar een coherent bodembeleid.
9.2 Basis
Art. 1 Inschakelen van een erkend bodemsaneringsdeskundige
De gemeente die de basis van de samenwerkingsovereenkomst ondertekent, kan aanspraak maken op een financiële ondersteuning van de OVAM voor het inschakelen van een erkend bodemsaneringsdeskundige zoals bepaald in dit artikel.
Art. 1.1 De gemeente stelt overeenkomstig de vigerende wetgeving op de overheidsopdrachten een erkend bodemsaneringsdeskundige aan om de nodige vaststellingen te doen met betrekking tot een acuut geval van bodemverontreiniging en indien nodig om verdere maatregelen in het kader van het Bodemsaneringsdecreet te laten voorstellen. De erkend bodemsaneringsdeskundige kan eventueel een beperkt aantal boringen en analyses laten uitvoeren.
Art. 1.2 De vaststellingen en de eventuele aanbevelingen met betrekking tot een bepaald schadegeval dienen in het verslag, opgesteld door de erkende bodemsaneringsdeskundige, opgenomen te worden.
Art. 2 De gemeente baseert zich voor het vergunnen van tijdelijke grondopgslagplaatsen (TOP) op de code van goede praktijk, opgesteld door de OVAM.
top

9.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 Voor het thema bodem kan de gemeente opteren om een of meerdere van de volgende acties of maatregelen uit te voeren zoals opgenomen in dit artikel. Elk van deze acties en maatregelen worden uitgevoerd binnen het kader van het Vlaamse bodembeleid. Elke goed uitgevoerde actie of maatregel levert het vermelde puntenaantal op voor het jaar waarin deze actie of maatregel uitgevoerd werd.
De gemeente heeft de keuze uit volgende mogelijke acties en maatregelen binnen het kader van het Vlaamse bodembeleid:
- de gemeente voert een inventarisatiestudie uit voor een bepaalde woonzone gelegen op potentieel verontreinigde grond;
- de gemeente richt een inzamelplaats in voor het verzamelen van kleine partijen verontreinigde grond voornamelijk afkomstig van schadegevallen bij particulieren en baat deze inzamelplaats uit;
- de gemeente voert een oplijsting uit van alle gronden waarvan zij eigenaar is en waarop een historische risico-activiteit plaatsvond;
- de gemeente voert een inventarisatie uit inzake andere bodemproblemen, bijv. bodemverdichting.
Art. 2 Erosiebestrijding
Als erosie een knelpunt is binnen de gemeente overeenkomstig de Potentiële bodemerosiekaart_Land, kan de gemeente actieve sensibilisatie-acties rond erosie organiseren. Onderwerpen hierbij zijn:
1° het organiseren van een informatiemoment rond erosiebestrijding, buiten de periode van het opmaken van een gemeentelijk erosiebestrijdingsplan, bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering houdende de subsidiëring van de kleinschalige erosiebestrijdingsmaatregelen die door gemeenten uitgevoerd worden;
2° als de gemeente beschikt over een door de administratie goedgekeurd gemeentelijk erosiebestrijdingsplan kan de gemeente eveneens landbouwers met percelen gelegen in knelpuntgebieden, zoals beschreven in haar gemeentelijk erosiebestrijdingsplan, individueel benaderen om een oplossing te vinden voor de erosieproblematiek op hun gronden.
top

9.4 Projecten
9.4.1 Inhoudelijke bepalingen
Art. 1 De gemeente kan binnen het kader van het Vlaamse bodemsaneringsbeleid en het beleid met betrekking tot erosiebestrijding een project uitvoeren.
Onder punt 1°-3° worden mogelijke projecten aangegeven waarvoor een subsidieaanvraag kan worden ingediend. De gemeente kan ook een eigen projectvoorstel uitwerken.
1° Vlaams bodemsaneringsbeleid
De gemeente kan volgende projecten uitvoeren in het kader van het Vlaamse bodemsaneringsbeleid:
- De gemeente voert de eerste fase van een brownfieldproject uit dat bestaat uit het opstellen van een herontwikkelingsconcept met integratie van bodemonderzoek en saneringsconcept;
- De gemeente beschikt reeds over een herontwikkelingsconcept en voert de tweede fase van een brownfieldproject uit dat bestaat uit het uitwerken van een herontwikkelingsplan en een geïntegreerd bodemsaneringsproject;
- De gemeente voert gefaseerd een onderzoek en een sanering uit van gronden in eigendom van de gemeente waarop een vroegere risico-activiteit plaatsvond bij de uitbating van gasfabrieken. Het project omvat het opmaken van een oplijsting en een planmatige aanpak van de gronden. De gemeente voert dit project uit in verschillende fasen waarbij een volgende fase pas kan uitgevoerd worden als de voorgaande fase is afgerond. Fase 3 en 4 kunnen enkel als project uitgevoerd worden binnen de beperkingen van de voorziene budgettaire middelen. De volgende fasen kunnen achtereenvolgens doorlopen worden en worden als aparte projecten binnen het kader van deze samenwerkingsovereenkomst beschouwd:
- Fase 1 : oplijsting opmaken van alle terreinen in eigendom van de gemeente. Per terrein wordt een eerste inschatting van de prioriteit, alsook gegevens met eventueel gewenste andere bestemming of functie indien de gemeente daar al een visie rond heeft ontwikkeld;
- Fase 2 : oriënterend bodemonderzoek op een terrein uit de oplijsting;
- Fase 3 : beschrijvend bodemonderzoek op een terrein uit de oplijsting waarvoor reeds een oriënterend bodemonderzoek beschikbaar is.
- Fase 4 : bodemsaneringsproject op een terrein uit de oplijsting waarvoor reeds een beschrijvend bodemonderzoek beschikbaar is.
- De gemeente voert een project uit met betrekking tot uitgegraven bodem. Het project bestaat uit het laten uitvoeren door een erkend bodemsaneringsdeskundige van een bodemonderzoek bij het vaststellen van onrechtmatig gebruik of opslag van uitgegraven bodem in het kader van de controletaak van de gemeenten bij particulieren en TOP's.
2° Verwerking verontreinigde grond
2°1 De gemeente die het onderscheidingsniveau van de samenwerkingsovereenkomst ondertekent en een inzamelplaats inricht en uitbaat voor het verzamelen van kleine partijen verontreinigde grond afkomstig van schadegevallen bij particulieren kan aanspraak maken op een financiële ondersteuning voor het verwerken van de ingezamelde verontreinigde grond.
2°1°1 De gemeente stelt overeenkomstig de vigerende wetgeving op de overheidsopdrachten een erkende overbrenger aan die de afvalstoffen afkomstig van de inzameling van kleine partijen verontreinigde grond laat verwerken in een erkend centrum voor grondreiniging.
2°1°2 De weegbonnen en de verwerkingsattesten, opgesteld door het erkend centrum voor grondreiniging, worden aan het verslag toegevoegd.
3° Erosiebestrijding
Als de gemeente beschikt over een door de administratie goedgekeurd erosiebestrijdingsplan kan ze een intergemeentelijk project uitvoeren voor begeleiding van de uitvoering van het plan. De gemeente werkt daarvoor structureel samen met minstens één andere gemeente. De samenwerkende gemeenten stellen een met het betrokken gebied vertrouwde projectcoördinator (provincie, watering, ngo…) aan, die de gemeenten begeleidt bij het vertalen van hun erosiebestrijdingsplan in principeaanvragen zoals bedoeld in het Erosiebesluit van 7 december 2001. De projectcoördinator maakt daarvoor gebruik van de leidraad die door de Vlaamse Overheid ter beschikking wordt gesteld.
9.3.2 Criteria beoordeling
Art. 1 Bij de beoordeling van het projectvoorstel en de uitvoering ervan worden volgende criteria
gehanteerd die nader omschreven worden door de gemeente in het projectvoorstel:
- de overeenstemming van de projectdoelstellingen met het vigerende Vlaamse bodemsaneringsbeleid of het beleid met betrekking tot bodemerosie;
- de te bereiken resultaten;
- bij de beoordeling van het projectvoorstel van de erosiebestrijding en de uitvoering ervan wordt rekening gehouden met de erosiegevoeligheid van het projectgebied.
top

10. Thema Duurzame ontwikkeling
10.1 Doelstellingen
Art. 1 De gemeente werkt mee aan de uitvoering van de Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling. Daarnaast onderneemt en ondersteunt de gemeente conform artikel 2 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005, initiatieven die het bewustzijn en de kennis van duurzame ontwikkeling bij inwoners en doelgroepen verhogen. De gemeente streeft hierbij naar een gecoördineerde, integrale, participatieve en beleidsoverschrijdende aanpak van ecologische, sociale en economische thema’s.
10.2 Basis
Art. 1 Passieve sensibilisatie rond duurzame ontwikkeling
De gemeente onderneemt passieve sensibilisatie m.b.t. duurzame ontwikkeling.
10.3 Onderscheidingsniveau
Art. 1 De gemeente organiseert of stimuleert participatieve en sensibiliserende initiatieven voor duurzame ontwikkeling
De gemeente besteedt bijzondere aandacht aan de samenhang en de synergie tussen de ecologische, sociale en economische aspecten van onderstaande beleidsdomeinen en voert in samenwerking met adviesraden een algemene doorlichting uit van het eigen beleid in minstens 3 daarvan:
- toerisme;
- landbouw;
- mobiliteit;
- ruimtelijke ordening;
- openbare werken;
- economie;
- onderwijs;
- sociaal beleid, sociale voorzieningen;
- jeugd, cultuur, sport en vrije tijdsbeleid;
- milieu;
- energie.
top

Art. 2 De gemeente stimuleert of ondersteunt duurzaam bouwen en wonen
– de gemeente organiseert of ondersteunt een campagne die bouwers en verbouwers sensibiliseert duurzaam te bouwen en verbouwen;
– de gemeente neemt criteria met betrekking tot duurzaam bouwen en wonen op in haar vergunningenbeleid of in een stedenbouwkundige verordening;
– de gemeente heeft een informatiepunt op het vlak van Duurzaam Bouwen en wonen waar informatie kan bekomen worden over sociale en ecologische premies of reducties.
Art. 3 De gemeente stimuleert of ondersteunt het maatschappelijk verantwoord ondernemen
– de gemeente organiseert een participatief initiatief waaraan bedrijven en omwonenden deelnemen met betrekking tot de ecologische en sociale rol van de deelnemende bedrijven;
– de gemeente houdt in haar aankoopbeleid naast milieuaspecten ook rekening met sociale aspecten (vb. Schone Kleren, Fair trade…)
Art. 4 De gemeente stimuleert of ondersteunt initiatieven met betrekking tot duurzame ontwikkeling in een Noord-Zuidcontext
– de gemeente organiseert of ondersteunt een tentoonstelling waarbij gewezen wordt op verbanden tussen de leefwijze in de geïndustrialiseerde landen en problemen in ontwikkelingslanden, en de verwevenheid van ecologische, sociale en economische problemen op mondiaal vlak;
– de gemeente heeft in haar goedgekeurd convenant ontwikkelingssamenwerking een milieugerelateerde actie opgenomen.
Art. 5 De gemeente organiseert of ondersteunt projecten in verband met educatie voor duurzame ontwikkeling
- de gemeente organiseert of ondersteunt vormingen voor adviesraden in verband met een thema gelieerd aan duurzame ontwikkeling.
Art. 6 Vlaams implementatieplan educatie voor duurzame ontwikkeling
- de gemeente onderschrijft en integreert de principes van het goedgekeurd Vlaams implementatieplan educatie voor duurzame ontwikkeling op gemeentelijk niveau.
top

10.4 Projecten
De gemeente kan een subsidie aanvragen voor de opstart van een project rond duurzame ontwikkeling.
Dit project kan op volgende elementen betrekking hebben:
– in samenwerking met de provincie en/of één of meerdere organisaties organiseert of ondersteunt de gemeente planadviezen aan kandidaat-bouwheren; van zodra op basis van de meetlat duurzaam bouwen een standaard op Vlaams niveau zal ontwikkeld en ter beschikking gesteld zijn, moeten deze adviezen daaraan conform zijn. Deze adviezen kunnen ook betrekking hebben op energie-aspecten.
– de gemeente initieert of ondersteunt werkervaringsprojecten of sociale economieprojecten, andere dan met MiNa-werkers, gericht op minstens één van de thema’s uit deze overeenkomst.
– de gemeente inventariseert de lokale overheidsaankopen en de daarbij gevolgde interne werkwijzen en bestekken, engageert zich om gefaseerd over te gaan tot economisch, sociaal en ecologisch duurzame overheidsaankopen, en voert dit engagement uit.
– de gemeente ondersteunt of realiseert een duurzaam (inbreidings)project ter ontwikkeling van een site of een gebouw waarbij aandacht is voor aspecten zoals energie, afval, water, mobiliteit, toegankelijkheid.
– de gemeente neemt in haar structuurplan, in de voorschriften van ruimtelijke uitvoeringsplannen of in de vergunningsvoorschriften een aantal nieuwe criteria op voor zuinig ruimtegebruik, voor rationeel afval-, water- of energiegebruik of voor toegankelijkheid. Bestaande plannen of voorschriften komen niet in aanmerking voor subsidie.
– een netwerk waaraan zowel actoren uit het milieubeleid, sociaal en economisch beleid deelnemen en dat voor minstens de helft is samengesteld uit middenveldorganisaties. Dit netwerk mag samengesteld worden uit actoren die nu reeds actief zijn in de respectievelijke adviesraden. De duurzaamheidsambtenaar neemt het secretariaat van dit netwerk waar.
– een gewijzigd algemeen beleidsplan waarin tastbare engagementen zijn opgenomen in verband met duurzame ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld:
o energiebesparing of alternatieve energie;
o reductie van afval;
o waterbesparing of maximaal gebruik van hemelwater;
o toegankelijkheid in overheidsgebouwen;
o het gebruik van duurzaam geëxploiteerd hout in overheidsgebouwen;
- de gemeente zet op zijn grondgebied, al of niet in samenwerking met naburige gemeenten, een project op waarbij het ruimtelijke beleid, het milieubeleid, het mobiliteitsbeleid en het economische beleid in een specifiek gebied beter op elkaar worden afgestemd, de zogenaamde ROME-projecten (Ruimtelijke Ordening, Milieu en Economie). Een dergelijke geïntegreerde benadering kan volledig gebeuren in het kader van duurzame ontwikkeling om ruimtelijk in een gebied economische ontwikkelingen, milieuhinderaspecten, natuur, verkeersinfrastructuur e.a. gezamenlijk aan te pakken.
- ...
top

Hoofdstuk 3: Financiële bepalingen.
1 ALGEMEEN
Art. 1 De bepalingen van artikel 55 tot en met 58 van het Koninklijk Besluit houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit d.d. 17 juli 1991 zijn van toepassing op de subsidies verleend door de Vlaamse Overheid ter uitvoering van onderhavige overeenkomst.
Telkens als in deze overeenkomst voor de berekening van de subsidie sprake is van het inwonersaantal van de gemeente, geldt daarbij het aantal inwoners dat in de gemeente is ingeschreven op 1 januari 2007, zoals blijkt uit de cijfers van het NIS. Hetzelfde geldt voor de gemeenteoppervlakte.
2 BASIS, ONDERSCHEIDINGSNIVEAU EN PROJECTEN ALGEMEEN
2.1 Basis
Art. 1 De Vlaamse Overheid kent tijdens de looptijd van dit contract jaarlijkse subsidies toe aan de gemeente mits voldaan is aan de bepalingen van deze overeenkomst.
Het subsidiebedrag wordt bepaald als volgt:
1° voor de bepalingen van de basis: 1,7 EUR per inwoner en 1,4 EUR per hectare gemeenteoppervlakte met een minimum van 20.000 EUR per gemeente;
Bijkomende subsidiemogelijkheden zijn opgenomen in de bijkomende bepalingen van dit hoofdstuk.
top

2.2 Onderscheidingsniveau
Art. 1 Binnen de jaarlijkse budgettaire perken en chronologisch volgens de datum van indiening van de rapportering zal de Vlaamse Overheid een aanvullende subsidie toekennen aan de gemeenten mits voldaan is aan de bepalingen van het onderscheidingsniveau. De subsidie bedraagt 30.000 EUR per VTE aangestelde duurzaamheidsambtenaar zoals bepaald in het Thema Instrumentarium 1.3 Onderscheidingsniveau artikel 1.
De subsidies voor het basis- en onderscheidingsniveau zijn onderling cumuleerbaar.
2.3 Projecten
Art. 1 Binnen de jaarlijkse budgettaire perken zal de Vlaamse Overheid een aanvullende subsidie toekennen aan de gemeente voor de uitvoering van de projecten. De minister zal jaarlijks tegen 1 oktober het aan elke gemeente toegekende bedrag voor het volgende jaar bekend maken. Het bedrag wordt jaarlijks op voor alle gemeenten dezelfde wijze berekend op basis van het aantal inwoners en hectare van de gemeente (1,7 EUR per inwoner en 1,4 EUR per hectare gemeenteoppervlakte, omgerekend in verhouding tot de beschikbare middelen).
De Vlaamse Overheid financiert 50% van de totale kosten van het projectvoorstel.
Uitzonderingen hierop zijn opgenomen in de bijkomende bepalingen van dit hoofdstuk.
Indien de werkelijke kosten lager zijn dan de raming, wordt de subsidie herberekend op basis van de bewezen kosten.
De totale kostprijs van het project moet hoger zijn dan 2.500 EUR.
Voor aankopen van gronden in kader van de thema’s Natuur en Water in kader van projecten integraal waterbeleid, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de werken, financiert de Vlaamse Overheid maximaal 50% van de totale kosten. Voor de aankopen in het kader van de thema’s Natuur en Water is de subsidie daarenboven beperkt tot 100.000 EUR. Het maximum van 100.000 EUR kan opgetrokken worden indien er budget over is. Het subsidiebedrag wordt berekend op basis van een schattingsverslag. Indien de aankoop lager is dan de raming, wordt het subsidiebedrag op de aankoopprijs berekend.
De subsidieaanvragen kunnen slechts gehonoreerd worden in functie van de beschikbare middelen op de begroting. Er wordt een subsidiëringsprogramma opgemaakt door de administratie dat wordt goedgekeurd door de minister bevoegd voor leefmilieu.
De criteria voor opmaak van dit subsidiëringsprogramma zijn:
- de algemene en specifieke projectgebonden criteria;
- eventueel vooraf kenbaar gemaakte beleidsprioriteiten, maximale spreiding van beschikbare middelen, eventuele prioriteiten van de gemeente zelf, milieu- en natuurkwaliteit, …
Voor het project waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, mag een subsidie ontvangen worden via andere kanalen, tenzij dit uitgesloten wordt via andere regelgeving.
Bij de eindafrekening wordt een verklaring toegevoegd met alle instanties waarvan een subsidiebedrag voor datzelfde project werd verkregen met vermelding van het subsidiebedrag. Het totale subsidiebedrag kan nooit hoger zijn dan100% de totale kostprijs van de delen het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd..
De controle op de aanwending van de subsidie wordt uitgeoefend door de Vlaamse Overheid op basis van de gevraagde verantwoordingsstukken.
Alleen directe kosten gemaakt voor de uitvoering van het project kunnen worden ingebracht. Hieronder vallen eventuele investeringskosten, werkingskosten, loonkosten (uitgezonderd voor de duurzaamheidsambtenaar en MiNa-werkers) en externe prestaties.
Binnen de rubriek werkingskosten, investeringskosten, loonkosten en externe prestaties van de begroting kunnen er zonder voorafgaande toestemming van de administratie, mits rapportering ervan bij de schriftelijke aanvraag tot vrijgave van een schijf van de projectsubsidie, overhevelingen gebeuren tussen individuele kostensoorten indien het bedrag van de overheveling maximaal 20% bedraagt van het totaal voorzien bedrag van de individuele kostensoort in de begroting. Voor overhevelingen van in totaal meer dan 20% is er een voorafgaande schriftelijke toestemming nodig van het hoofd van het departement LNE.
Overhevelingen tussen de rubrieken werkingskosten, investeringskosten en externe prestaties kunnen zonder voorafgaande toestemming gebeuren indien het bedrag van deze overhevelingen maximaal 10% bedragen van de totale voorziene bedragen van deze rubrieken in de begroting. Voor de overhevelingen van in totaal meer dan 10% is er een voorafgaande schriftelijke toestemming nodig van het hoofd van het departement LNE.
top

2.4 Betalingsmodaliteiten
Art. 1 De subsidie wordt uitgekeerd op rekeningnummer van de gemeente
De subsidies worden als volgt uitgekeerd:
1° Als voorschot: de subsidies verbonden aan de basis. Deze subsidies worden uitbetaald bij een positieve evaluatie van de laatst beschikbare rapportering.
2° Als saldo: de subsidies verbonden aan de gunstige evaluatie van het onderscheidingsniveau en de uitgevoerde projecten.
De uitbetaling gebeurt op basis van het voorleggen van de nodige bewijsstukken.
Het voorschot wordt uitbetaald in het jaar van intekening. De uitbetaling van het saldo gebeurt in principe tegen september van het jaar volgend op de rapportering.
Bij een negatieve evaluatie van de uitvoering van het basisniveau, zullen de hierop betrekking hebbende uitgekeerde voorschotten op eenvoudig verzoek binnen de 6 maanden worden teruggestort.
top

3 BIJKOMENDE BEPALINGEN
3.1 Instrumentarium
Art. 1. MiNa-werkers
Binnen de jaarlijkse budgettaire perken verstrekt de Vlaamse Overheid aanvullende subsidies uitgezonderd indien de MiNa-werkers doelgroepwerknemers zijn zoals omschreven in Thema Instrumentarium 1.4 Projecten artikel 1 (WEP-pluswerknemers):
Voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen het milieujaarprogramma door MiNa-werkers, zoals bepaald Thema Instrumentarium 1.4 Projecten artikel 1. De subsidie bedraagt maximaal 12.400 EUR per VTE per jaar.
De subsidie wordt pro rata temporis toegekend, op basis van het opgegeven en werkelijk gepresteerde werkvolume.
De subsidie moet integraal aangewend worden ter financiering van personeelskosten verbonden aan het uitvoeren van deze werkzaamheden. Deze personeelskost omvat uitsluitend de loonkost en werkgeverskost zoals RSZ, verzekeringen, kledij en veiligheidsmateriaal. Deze personeelskosten moeten kunnen worden bewezen via facturen, in geval van uitbesteding aan derden, en via loonstaten ingeval van tewerkstelling binnen een eigen invoegafdeling.
Indien de MiNa-werkers invoegwerknemers zijn, tewerkgesteld in een invoegbedrijf of een invoegafdeling, kan dit invoegbedrijf of deze invoegafdeling, binnen de perken van de begrotingskredieten, voor de uitvoering van de goedgekeurde activiteiten bijkomend een subsidie ontvangen gelijk aan 35% van de loonkost van deze invoegwerknemers overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie, zoals gewijzigd. Deze subsidie wordt toegekend door de minister bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid.
Indien de MiNa-werkers worden tewerkgesteld in een sociale werkplaats en uitgevoerd door de in het Decreet inzake sociale werkplaatsen bedoelde doelgroepwerknemers kan de sociale werkplaats, binnen de perken van de begrotingskredieten, bijkomend een subsidie ontvangen zoals voorzien in het decreet inzake sociale werkplaatsen van 14 juli 1998 en de betrokken besluiten van de Vlaamse Regering. Deze subsidie wordt toegekend door de minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid.
Indien de MiNa-werkers worden tewerkgesteld in een beschutte werkplaats en uitgevoerd door personen met een handicap zoals bedoeld in artikel 2, §2, 1°, van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap kan de beschutte werkplaats, binnen de perken van de begrotingskredieten, bijkomend een subsidie ontvangen zoals voorzien in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999. Deze subsidie wordt toegekend door de minister, bevoegd voor sociale economie.
Indien de MiNa-werkers worden tewerkgesteld in een lokale dienst en uitgevoerd door de in het decreet inzake lokale diensteneconomie bedoelde doelgroepwerknemers, kan de lokale dienst, binnen de perken van de begrotingskredieten, bijkomend een subsidie ontvangen zoals voorzien in het decreet inzake lokale diensteneconomie van 22 december 2006 en de betrokken besluiten van de Vlaamse Regering. Deze subsidie wordt toegekend door de minister, bevoegd voor sociale economie.
top

3.3.2 Water
Art. 1 Hemelwaterinstallaties
De Vlaamse Overheid verleent een subsidie van 250 EUR voor de aanleg van een hemelwaterinstallatie aan de gemeente, indien voldaan is aan de voorwaarden bepaald in Thema Water 4.4 Projecten 4.4.2.
Art. 2 Infiltratievoorzieningen
De Vlaamse Overheid verleent een subsidie van 250 EUR voor de aanleg van een infiltratievoorziening voor niet-verontreinigd hemelwater indien voldaan is aan de voorwaarden bepaald Thema Water 4.4 Projecten 4.4.2..
3.3.3 Energie
Art. 1 Zonneboiler
De Vlaamse Overheid verleent een subsidie van 20% van de volledige kostprijs, op basis van de huidige subsidie voor zonneboilers die het VEA toekent aan lokale overheden.
Art. 2 PV-installatie
De Vlaamse Overheid verleent een subsidie van 10% van de volledige kostprijs, op basis van de huidige subsidie voor PV-installaties die het VEA toekent.
Art 3 Energiezuinig bouwen
De Vlaamse overheid subsidieert in 50% van de meerkost. (OPM nog verder te bepalen wat meerkost is)
top

3.3.4 Mobiliteit
Art 1 Aankoop milieuvriendelijke voertuig
De Vlaamse Overheid verleent een subsidie van 30% van de totale kostprijs voor de aankoop van een milieuvriendelijk voertuig.
3.3.5 Natuur
Art. 1 Groendak
Een gemeente die aan derden subsidies uitkeert voor de aanleg van een groendak, kan hiervoor een subsidie van maximaal 31 EUR/m² ontvangen van de Vlaamse Overheid op voorwaarde dat voldaan is aan de bepalingen van Thema Natuur 8.4 Projecten°. De subsidie kan nooit meer bedragen dan wat de gemeente betaald heeft.
Een gemeente kan een subsidie ontvangen van 50% met een maximum van 31 EUR/m² voor de aanleg van een groendak, op voorwaarde dat voldaan is aan de bepalingen van Thema Natuur 8.4 Projecten.
3.3.6 Afval
Art. 1 Financiële ondersteuning voor het opruimen van kleine partijen achtergelaten gevaarlijke afvalstoffen
Elke gemeente kan jaarlijks voor maximaal 10.000 EUR kleine partijen achtergelaten gevaarlijke afvalstoffen opruimen zoals beschreven in art. 3 2.2 basis. Eenmaal per jaar kan de gemeente bij de OVAM de vordering van de subsidie vragen van de reeds uitgevoerde verwijderingen zoals beschreven in art 3 2.2 basis.
top

3.3.7 Bodem
Art. 1 Financiële ondersteuning voor de verwerking van verontreinigde grond
De gemeente kan een tussenkomst bekomen voor maximaal 50% van de gemaakte kosten voor een project verwerking van verontreinigde grond.
De gemeente met een inwonersaantal kleiner dan 20.000 kan voor een bedrag van maximaal 5.000 EUR per kalenderjaar een beroep doen op een erkend overbrenger die instaat voor de ophaling en de verwerking van verontreinigde grond, zoals beschreven in Thema Bodem 9.4 Projecten art. 1, 2°. - Gemeenten met een inwonersaantal van 20.000 of hoger kunnen voor een bedrag van maximaal 10.000 EUR per kalenderjaar subsidies ontvangen.
Eenmaal per jaar kan de gemeente de terugbetaling vragen van de kosten voor de ophaling en verwerking van de verontreinigde grond. Hiertoe dient de gemeente de facturen van de erkende overbrenger, vergezeld van de weegbonnen en de verwerkingsattesten voor te leggen
Art. 2 Financiële ondersteuning voor het inschakelen van een erkend bodemsaneringsdeskundige
De gemeente kan voor een bedrag van 0,05 EUR per inwoner per kalenderjaar. een beroep doen op een erkende bodemsaneringsdeskundige, zoals beschreven in Thema Bodem 9.2 Basis art.1. Voor gemeenten met een inwonersaantal vanaf 20.000 kan per kalenderjaar de subsidie maximaal 12.000 EUR bedragen. Voor gemeenten tot 20.000 inwoners is het maximale bedrag 2.000 EUR per kalenderjaar. Er wordt geen financiële ondersteuning verleend indien de veroorzaakte schade is toegebracht door eigen exploitatie van de gemeente.
In het kader van de acties zoals beschreven in Thema Bodem 9.2 Basis art.1wordt bijkomend voor analyses en boringen maximaal 250 EUR terugbetaald per inschakeling van een erkend bodemsaneringsdeskundige op een locatie. Per gemeente wordt dit beperkt tot maximaal 1.000 EUR per kalenderjaar.
Eenmaal per jaar kan de gemeente de terugbetaling vragen van de kosten voor de inschakeling van een erkende bodemsaneringsdeskundige bij acute gevallen van bodemverontreiniging. Hiertoe dient de gemeente de facturen van de erkende bodemsaneringsdeskundigen, vergezeld van de door hen opgestelde verslagen voor te leggen aan de OVAM. Per schadegeval komen slechts twee interventies in aanmerking voor terugbetaling overeenkomstig Thema Bodem 9.2 Basis art.1
Art 3 Brownfieldproject
De gemeente kan een tussenkomst bekomen van maximaal 50% van de gemaakte kosten voor een brownfieldproject. De tussenkomst wordt beperkt tot maximaal 62.500 EUR per brownfieldproject. Het toekennen van deze tussenkomst gebeurt in twee fasen: maximaal 31.250 EUR voor het opstellen van een herontwikkelingsconcept (eerste fase of conceptfase) en nogmaals maximaal 31.250 EUR voor het uitwerken van een herontwikkelingsplan (tweede fase of planfase) zoals omschreven Thema Bodem 9.4 Projecten art.1, 1°. De tussenkomst voor de planfase kan pas toegekend worden nadat de conceptfase succesvol werd afgerond.
Art 4 Project gasfabrieken
De gemeente kan een tussenkomst bekomen voor maximaal 50% van de gemaakte kosten voor gasfabrieken – fase 3 met een maximum van 25.000 EUR.
De gemeente kan een tussenkomst bekomen voor maximaal 50% van de gemaakte kosten voor gasfabrieken - fase 4 met een maximum van 30.000 EUR.
Art. 5 Project uitgegraven bodem
De gemeente kan een tussenkomst bekomen voor maximaal 50% van de gemaakte kosten voor een project uitgegraven bodem. Het aantal projecten uitgegraven bodem wordt beperkt tot maximaal 3 projecten per gemeente in de periode 2008-2013.
top
